Identiteit

Leestijd 23 minuten • Laatst bijgewerkt op

Wat is er aan de hand?

Al op jonge leeftijd nemen we onbewust dingen over van de mensen om ons heen, dit wordt socialisatie genoemd. Denk bijvoorbeeld aan taalgebruik, verwachtingen, gedrag, normen, waarden, ambities en doelstellingen. Onze socialisatie vindt plaats binnen verschillende leefwerelden. Kinderen en jongeren worden allereerst gesocialiseerd binnen het huis waar ze opgroeien. Ze leren wat thuis gangbaar en sociaal geaccepteerd is. Mede daarom is ouders betrekken bij het onderwijs ook zo belangrijk. Contact met de ouders geeft de leerkracht een inkijkje in de thuissocialisatie van kinderen. Verder brengen kinderen een groot deel van hun tijd buitenshuis door. Ze zijn met vrienden en gaan, uiteraard, naar school.

Kijk bijvoorbeeld naar Gianny, Anyssa en Yunuscan. Zij krijgen normen en waarden mee via hun ouders, maar ook via leraren op school en leeftijdsgenoten die ze ontmoeten. Dit kan op straat zijn, maar net zo goed bij sportclubjes, muziekles of de naschoolse opvang. De leefwerelden van de kinderen die we in Klassen volgen, lopen sterk uiteen. Vera heeft andere leefwerelden dan Viggo, en Waïl groeit op met andere mensen om zich heen dan Evy. Maar in welke werelden ze ook opgroeien, één ding hebben alle leerlingen uit Klassen gemeen: ze zijn allemaal bezig met vragen rondom hun identiteit. Wie zijn ze eigenlijk? Wie willen ze zijn? Wat onderscheidt hen van hun leeftijdsgenoten? En wat verbindt ze juist? Welke gebruiken, normen en waarden kennen ze? En hoe zijn deze van belang binnen hun verschillende leefwerelden? Waar botsen ze en waar komen ze overeen?

In dit proces van identiteitsvorming kan verwarring ontstaan over wie ze zijn en waar ze bij horen, waar ze zich voor willen inzetten of waar ze juist niet hun best voor willen doen. Daarbij kan het zijn dat school niet op de eerste plaats komt. Omdat ze zich op school niet gezien of gewaardeerd voelen, omdat de schoolwereld te veel verschilt van hun thuiswereld om het met elkaar te kunnen combineren, of omdat ze liever met hun vrienden zijn.

In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de identiteitsontwikkeling van kinderen en jongeren en de bijbehorende verschillende leefwerelden waarin ze zich begeven. Er wordt uitgelegd waarom het belangrijk is dat je je als leerkracht bewust bent van de verschillende leefwerelden van je leerlingen. Ten slotte worden er praktische suggesties gedaan om uiteenlopende leefwerelden bij elkaar te kunnen brengen.

Diamant border

Identiteitsvorming

Volwassen worden gebeurt niet in een vacuüm. Je omgeving en  de context waarin je opgroeit bepalen grotendeels wie je wordt en hoe je je eigen positie in de wereld ziet. Je gevoel van identiteit is dus sterk afhankelijk van hoe anderen jou zien en wat anderen jou hebben meegegeven.

Identiteitsontwikkeling is een proces dat op meerdere gebieden tegelijkertijd plaatsvindt en op verschillende manieren vormgeeft hoe jij jezelf ziet. Je kunt je als man identificeren en jezelf tegelijkertijd als Christen en homoseksueel zien. Identiteit is een fenomeen dat houvast biedt en jou tegelijkertijd uniek maakt. Identiteit is een fundamenteel principe dat zich een leven lang blijft vormen: je bent nooit af. Door hun identiteit voelen mensen zich verbonden met én anders dan anderen. Het hebben van een identiteit verbindt én het onderscheidt (Erikson, 1959).

Identiteitsverwarring

Jonge kinderen zijn zich nog weinig bewust van hun identiteiten en houden dan ook niet vast aan een bepaalde identiteit (Kroger, Martinussen, & Marcia, 2010). Als kinderen rond de acht jaar zijn, worden ze zich bewuster van hun identiteiten en hoe deze hen onderscheiden van anderen. Ze worden zich bewust van hun genderidentiteit en hun etnische identiteit. “Ik ben een jongetje en jij een meisje” is hier een simpel voorbeeld van. Ook realiseren ze zich, naarmate ze ouder worden, wat de gevolgen van het hebben van een bepaalde identiteit kunnen zijn. Neem bijvoorbeeld Gianny en zijn vrienden die op het bankje voor hun school zitten en praten over hoe er tegen ze aangekeken wordt. Uit dit gesprek blijkt dat ze zich bewust zijn van hun donkere huidskleur en hoe deze hun identiteit bepaalt, in dit geval omdat mensen hen anders behandelen vanwege hun huidskleur. Dit laat zien wat voor belangrijke rol

Gaat over het volk waartoe iemand zich rekent of de etnische groep waar iemand zich deel van voelt. Dit gaat over meer dan alleen huidskleur of herkomst van de meerderheidsgroep, al is dat waar men meteen aan denkt. Mensen rekenen zichzelf tot een etnische groep vanwege herkomst en voorkomen (zoals huidskleur), maar ook vanwege socialisatie en ervaren verwantschap. Ook Nederlanders vormen een etnische groep. Agirdag, O. (2020). Onderwijs in een gekleurde samenleving. Antwerpen: EPO.

kan spelen in de ontwikkeling van kind tot adolescent en later volwassene.

Rond de pubertijd komen hier onder andere de politieke en religieuze identiteit bij. Deze identiteiten zijn vaak in  eerste instantie gebaseerd op de identiteit van de ouders, daarna op die van vrienden. Jongeren worden zich bewust van al hun identiteiten en tegelijkertijd beseffen ze dat ze, ondanks alle externe invloeden, een uniek persoon zijn (van der Wal, de Wilde, & de Mooij, 2017). Dit is het stadium van de ontwikkeling waarin identiteitsprocessen centraal staan. Deze fase vindt plaats tijdens de overgang van kind naar volwassenen, van ongeveer 12 tot 22 jaar (Erikson, 1959). Deze fase van identiteitsontwikkeling gaat gepaard met allerlei soorten verwarring. Verwarring over of je wel net zo goed en geschikt bent als anderen, over je plek in hiërarchische systemen zoals school en hoe je je hierin moet gedragen, over welke waarden uit je omgeving je moet overnemen en welke juist niet. Je zult deze verwarring vast herkennen uit je eigen pubertijd. Wie ben ik? In hoeverre voel ik mij thuis op school of in de wijk? Wie zijn mijn vrienden? Wat vinden mensen van mij? En wat vind ik eigenlijk van andere mensen?

Kort samengevat: jongeren staan in de pubertijd voor een aantal ingewikkelde taken, namelijk het oplossen van eventuele verwarring over hun identiteit, het creëren van een eigen gevoel van identiteit en het vinden van de sociale omgeving waar ze betekenisvolle banden kunnen aangaan met anderen (Chen, Lay, Wu, & Yao, 2007). Het hebben van een stevig identiteitsgevoel heeft een positief effect op de mentale gezondheid. Je weet wie je bent en dat voelt goed. Verward zijn met betrekking tot je identiteit daarentegen kan negatieve uitwerkingen hebben, zoals emotionele instabiliteit, neerslachtige en angstige gevoelens of zelfs depressie (Crocetti et al., 2009).

Schipperen tussen leefwerelden

Volgens de Nederlandse onderwijssocioloog Iliass El Hadioui is het belangrijk voor onderwijskrachten om identiteitsontwikkeling en mogelijke verwarring rondom identiteit te begrijpen door stil te staan bij de pedagogische driehoek van de straat-, school- en thuiscultuur. Binnen deze drie leefwerelden, waarin jongeren zichzelf vormen, heersen soms compleet tegenstrijdige gewenste normen, waarden en gedragingen. Hoe verder deze culturen of leefwerelden van elkaar afstaan, hoe verwarrender het is voor de jongere in kwestie. Soms zelfs zo verwarrend dat de jongere de leefwerelden niet gecombineerd krijgt El Hadioui (2011).

De pedagogische driehoek

Straatcultuur

Stof tot nadenken
In het boek van Iliass El Hadioui ligt de focus voornamelijk op leerlingen in grootstedelijke gebieden, waar de straatcultuur het meest aanwezig zou zijn. In steden zou namelijk enerzijds een sterke mate van individualisering zijn, omdat de invloed van instituties zoals religieuze organisaties en buurthuizen is afgenomen. Tegelijkertijd zijn steden de afgelopen decennia superdivers geworden: er is een mozaïek aan culturen, talen, religies en leefstijlen te vinden. Een vanzelfsprekende identiteit is er niet meer; je bent van alles en dus ben je niets. Te midden van het enorme aanbod aan leefstijlen voelen kinderen en jongeren zich vaak verbonden met de straatcultuur.
El Hadioui benoemt echter dat de ontwikkelingen die we in de steden zien ook in regionale gebieden te zien zijn. Zeker de afgelopen jaren komen jongeren via sociale media gemakkelijk in aanraking met veel jeugdculturen, waar de straatcultuur er een van is. Hoe denk jij dat de straatcultuur van invloed is op jongeren in minder stedelijke gebieden? Heb jij het gevoel dat de leerlingen op jouw school hier veel mee in aanraking komen? Denk je dat er een groot verschil tussen de regio en de stad is?

Het eerste onderdeel van de pedagogische driehoek is de straatcultuur. In de straatcultuur staan banden met leeftijdsgenoten centraal. Je zou het dus ook 'peercultuur' kunnen noemen, maar we houden het bij straatcultuur omdat El Hadioui het ook zo beschrijft. Belangrijk is dit niet te verwarren met bijvoorbeeld criminele bendes of blowende hangjongeren; elke jongere maakt onderdeel uit van een peercultuur en dus een straatcultuur. Voor een jongere is het van belang om de sociale codes die bij leeftijdsgenoten gangbaar zijn te begrijpen en te kunnen gebruiken om niet als buitenbeentje te worden gezien. Iedereen kan ‘straat’ zijn, maar je moet wel begrijpen wat ‘straat’ is.

Straatcultuur wordt gezien als macho-masculien. Dit klinkt als een abstracte term, maar wat El Hadioui hiermee bedoelt is dat de kinderen en jongeren respect, eer en status als zeer belangrijk ervaren. Toch is de straatcultuur niet per definitie een mannending. Ook meisjes en vrouwen kunnen onderdeel uitmaken van de straatcultuur. In de straatcultuur is bescherming van de groep waartoe de jongere zichzelf rekent van groot belang. Als de sociale status van die groep bedreigd wordt door mensen van buiten de groep, wordt hierop gereageerd. Jongeren nemen elkaar in bescherming. Dit kan gepaard gaan met geweld, maar kan ook verbaal worden uitgevochten (El Hadioui, 2011).

Onder leeftijdsgenoten is het van belang om ‘cool’ te blijven en je status te behouden, als individu én als groep. Zo kan het zijn dat het binnen de straatcultuur niet cool is om huiswerk te maken en dat in niks geïnteresseerd zijn juist wel cool is. Of een extremer voorbeeld: een straatcultuur waarin criminaliteit de norm is en statusverhogend werkt. Denk hierbij aan Gianny die na het plegen van een overval door medeleerlingen als een held wordt ontvangen. Gianny en zijn vrienden ontlenen onderling duidelijk status aan crimineel gedrag, terwijl in de leefwereld van de meeste mensen crimineel gedrag gezien wordt als gevaarlijk en beschadigend, niet als statusverhogend en stoer.

Onder vrienden kan de cultuur hard zijn. Je als kind of jongere ‘soft’ gedragen kan uit den boze zijn omdat hiermee je status in het geding kan komen. Dit geldt ook voor Gianny die met de jongerenwerker bespreekt dat hij bij niemand echt zijn gevoelens uit. De jongerenwerker antwoordt dat hij daarmee op moet passen omdat alle tranen zich dan naar binnen keren en hij dan op een gegeven moment ontploft. Gianny knikt deemoedig: dat herkent hij wel.

Maar de straatcultuur kan ook mentale en emotionele veiligheid bieden, bijvoorbeeld aan jongeren die dit in hun andere leefwerelden missen. Bij elkaar voelen ze zich veilig, gezien en gewaardeerd terwijl dit thuis of op school niet het geval is. In de straatcultuur vinden deze leerlingen dan een toevluchtsoord voor de problemen en pijn die ze thuis of op school ervaren. Ook hier kun je Gianny in herkennen. Op straat voelt hij zich gezien en gewaardeerd, op school verveelt hij zich voornamelijk, voelt hij zich voortdurend onderschat en ondergewaardeerd. Thuis is het letterlijk en figuurlijk leeg: er staan weinig meubels en zijn moeder vertrekt soms opeens voor een langere periode naar Suriname.

Geaccepteerd worden door vrienden en het hebben van vertrouwensbanden zorgt ervoor dat jongeren minder psychische en gedragsproblemen hebben, ongeacht hun geslacht, hun leeftijd of de familie waarin ze opgroeien. Vertrouwensbanden helpen met het vormen van een identiteit. Jongeren spiegelen zich aan elkaar en steunen elkaar in hun identiteitsontwikkeling (Luyckx et al., 2014).

Het hebben van innige vriendschapsrelaties heeft echter ook een keerzijde: die van groepsdruk en negatieve invloeden. De wens van jongeren, en mensen in het algemeen, om ergens bij te horen kan ervoor zorgen dat ze zich gaan aanpassen aan de gedragsnormen van bepaalde groepen (Stewart-Knox, z.d.). Dit kan positief, maar ook negatief zijn, bijvoorbeeld als de norm is dat je nooit je huiswerk maakt, elke dag blowt of crimineel gedrag vertoont. Bij elke sociale groep hoort een bepaald soort ‘status’ waar jongeren hun identiteit aan ophangen. Het verschilt dan ook per groep wat voor gedrag, kleding of taalgebruik er statusverhogend werkt.

Thuiscultuur

Thuis worden leerlingen door hun ouders, broertjes, zusjes en andere familie gesocialiseerd. De thuissocialisatie van kinderen is belangrijker in het basisonderwijs dan in het middelbaar onderwijs, omdat vrienden op latere leeftijd een steeds grotere rol gaan spelen in de identiteitsontwikkeling van kinderen. Toch blijft de thuiscultuur een belangrijke rol spelen in het leven van jongeren. Buiten dat beïnvloedt de thuiscultuur die een kind voor of tijdens de basisschool heeft meegekregen hoe hij of zij vervolgens de middelbare school ervaart. Een groot deel van wat je vindt en wie je bent of denkt te zijn krijg je immers vanuit huis mee.

Schoolcultuur

Op school vindt een ander belangrijk deel van de socialisatie plaats. Socialisatie is niet voor niets één van de kerntaken van het onderwijs (Onderwijsraad, 2016). De school is een omgeving waar leerlingen continu in contact staan met leeftijdsgenoten, docenten en andere onderwijskrachten. Op school heerst, net als op straat, een specifieke cultuur, met eigen normen, waarden, verwachtingen en taalgebruik. Het gedrag dat geaccepteerd en aangeleerd wordt binnen de schoolmuren reflecteert gedrag dat binnen de algehele samenleving als sociaal wenselijk wordt gezien. School vervult namelijk een belangrijke burgerschapstaak: op school dienen kinderen opgeleid te worden tot geïnformeerde, geëngageerde, participerende burgers van de democratische samenleving.

Match of mismatch?

Wanneer de drie leefwerelden uit de pedagogische driehoek volledig op elkaar aansluiten, herkennen kinderen zich dag in dag uit in zowel de thuis-, school- als straatomgeving, waardoor er weinig verwarring is rondom hun identiteit. Ze voelen zich overal thuis en weten in elke omgeving en sociale groep wie ze zijn en hoe ze zich horen te gedragen. Dit betekent dat je als kind de schooltaal spreekt, dat je het juiste type cultureel kapitaal bezit dat op school wordt gehanteerd en dat de normen, waarden, ambities in verschillende leefwerelden overlappen. In die situatie hebben kinderen bijna niet door dat ze zich in drie verschillende leefwerelden begeven omdat ze zo op elkaar lijken.

Wanneer kinderen en jongeren heel verschillende of zelfs tegenstrijdige verwachtingen, gedragingen, ambities, normen en waarden meekrijgen uit de verschillende leefwerelden kan er verwarring ontstaan bij de jongeren. El Hadioui beschrijft dit als een mismatch tussen de thuiscultuur, de schoolcultuur en straatcultuur. Op school wordt huiswerk maken beloond, maar je vrienden vinden je een sukkel als je hard aan school werkt. Of thuis wordt verwacht dat je zo snel mogelijk de groentezaak van je vader overneemt, terwijl op school de nadruk wordt gelegd op doorstuderen. Of is thuis de verwachting dat je arts wordt, maar op school krijg je het idee dat dit onhaalbaar is. Je docent uitschelden wordt door je vrienden beloond, maar geeft je een slechte naam binnen het schoolteam. Maar denk bijvoorbeeld ook aan het afwachten tot je de beurt krijgt vanuit het respect dat je thuis geleerd te hebben voor meerderen; alleen praten als je vader je daar de opdracht toe geeft. Dat kan op school gezien worden als niet actief genoeg meedoen.

Deze mismatch kan leiden tot spanningen die de ontwikkeling van jongeren in de weg staat.

Wat is de rol van het onderwijs hierin?

Geen duidelijke schoolcultuur

Zoals gezegd heeft het onderwijs in Nederland een burgerschapstaak. Dit houdt in dat scholen verplicht zijn om de basiswaarden van de Nederlandse democratie over te brengen aan leerlingen. Deze basiswaarden worden beschreven als waarden van de democratische rechtsstaat, zoals vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid, begrip, verdraagzaamheid en het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie. Daarnaast heeft het onderwijs de taak om leerlingen te socialiseren en kwalificeren. Het onderwijs moet zorgen dat ze straks goed uitgerust de grote-mensen wereld instappen en de juiste vaardigheden bezitten om hun potentie te vervullen, ongeacht het vak dat ze kiezen.

Aan de basis van het vervullen van deze taken staat de schoolcultuur. De schoolcultuur leert specifiek de normen, waarden en vaardigheden aan die kinderen later nodig hebben in hun leven in onze samenleving.

Deze schoolse normen en waarden wijken soms sterk af van de waarden die kinderen thuis, van vrienden of op straat aangeleerd krijgen. Zoals gezegd ligt hier een ingewikkelde taak voor het onderwijs. Aan de ene kant moet het kinderen de normen en waarden aanleren die in de democratische maatschappij centraal staan, maar aan de andere kant moet er ook aandacht gaan naar andere perspectieven om te zorgen dat alle leerlingen zich welkom voelen. Immers, als leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen, komen zij makkelijker tot leren. School moet zich dus enerzijds sterk onderscheiden van de andere leefwerelden, terwijl het tegelijkertijd de brug moet zijn tussen verschillende leefwerelden.

Om dit te kunnen bereiken is een heel duidelijke schoolcultuur nodig. Is die er niet, dan is het voor jongeren of zelfs leerkrachten onduidelijk wat de schoolse normen en waarden zijn en kan het gebeuren bijvoorbeeld dat de straatcultuur de overhand neemt op school. Dit zorgt niet alleen maar voor meer verwarring, maar kan ook zorgen voor onveilige situaties die afleiden van de belangrijkste bezigheid van het onderwijs: lesgeven. Ook leren de leerlingen zo niet wat er van hen verwacht wordt in de maatschappij.

Mismatch tussen school en andere leefwerelden

Volgens El Hadioui zou de Nederlandse schoolcultuur meer feminiene codes hebben dan de straatcultuur en soms ook de thuiscultuur. Hij legt uit dat met feminien in dit geval niet vrouwelijk bedoeld wordt en het ook niet betekent dat er veel vrouwen voor de klas staan. Het betekent dat in de schoolcultuur de nadruk ligt op een zogenaamde feminiene leerstijl, waarbij reflectie, expressie, zelfontplooiing en zelfstandigheid een centrale rol spelen. Met andere woorden: in het Nederlandse onderwijs gaat veel aandacht naar het ontwikkelen van leerlingen tot autonome wezens die zelf nadenken, plannen en beslissingen kunnen maken.

Dit staat haaks op meer klassiek, gezaghebbend onderwijs. Een voorbeeld van klassieker onderwijs zie je terug in de serie Klassen wanneer een delegatie naar Londen voor een werkbezoek aan enkele scholen. De docent heeft hier de absolute autoriteit en de nadruk ligt op prestaties, punctualiteit en gehoorzaamheid. In de Nederlandse klassen die we volgen in de serie zien we iets anders: hier ligt de nadruk op zelf je tijd indelen, leren plannen en minder op zitten, luisteren en gehoorzamen. Juist voor leerlingen die een harde straatcultuur gewend zijn, of thuis met een meer autoritaire opvoedstijl worden opgevoed, kan de feminiene schoolcultuur moeilijk te begrijpen zijn en dus voor verwarring zorgen (El Hadioui, 2011).

Als de mismatch tussen de thuis- en/of straatcultuur en de schoolcultuur te groot is, kunnen jongeren het idee krijgen dat ze moeten kiezen tussen de verschillende leefwerelden. Je kunt niet aan alle groepen tegelijk sociale status verlenen, dus kan het nodig zijn om een groep te laten vallen. Dit kan betekenen dat jongeren zichzelf gaan uitsluiten van het schoolsysteem, zeker als school bij uitstek niet de plek is waar ze zich gezien, gewaardeerd en geliefd voelen. In de serie zien we hoe Gianny, die goed in contact staat met leeftijdsgenoten op straat, op school in een heel andere leefwereld terecht komt die niet aansluit op zijn interesses, talenten en ambities. Gianny voelt zich niet thuis in de schoolcultuur, waar de verwachtingen laag zijn, de lessen niet uitdagend genoeg en de pedagogische leerstijl niet strookt met zijn leefwereld. Als je Gianny bent en je moet kiezen: waar ga je dan voor? Voor de plek waar je je thuis, gezien en uitgedaagd voelt, of voor de plek waar je voortdurend het gevoel hebt onderschat te worden?

Hier ligt een belangrijke maar moeilijke taak voor het onderwijs. Hoe breng je de verschillende leefwerelden dichter bij elkaar als ze zo ver van elkaar af staan? En hoe kun je als school leerlingen bijstaan in het ingewikkelde proces van identiteitsvorming?

Een kwestie van milieu

Voor kinderen en jongeren uit met een milieu met een lagere

Gaat over iemands thuissituatie en het milieu waar iemand uitkomt. Uit iemands sociale achtergrond komt het type sociaal kapitaal voort dat ze bezitten. Movisie (z.d.)

kan de mismatch tussen school, thuis en straat groter zijn dan voor leerlingen uit hogere sociaaleconomische milieus. Deze laatstgenoemde groep kinderen krijgt vanuit de opvoeding vaker het belang van reflectie, expressie, zelfontplooiing en zelfstandigheid mee, waarden die centraal staan in de Nederlandse schoolcultuur. Volgens El Hadioui zouden de normen en waarden die op school uitgedragen worden een onderdeel zijn van de opvoedstijl van de middenklasse. Kinderen uit de midden- of hogere klasse die met deze opvoedstijl zijn grootgebracht komen makkelijker goed mee op school. Ze herkennen en begrijpen de schoolcultuur omdat ze er (thuis) mee zijn opgegroeid. Docenten zijn bovendien zelf vaak grootgebracht met sociale codes uit deze middenklasse: zij representeren en versterken daarmee een middenklasseleefstijl en feminiene schoolcultuur (El Hadioui, 2019).

Voor nu is het voldoende om te weten dat er twee dynamieken bijdragen aan groeiende verschillen tussen leerlingen. Enerzijds is er een groep kinderen die veel overlap ervaart tussen hun leefwerelden, een duidelijk gevoel van identiteit hebben en vanuit huis meekrijgen hoe ze zich op school moet gedragen. Anderzijds is er een groep leerlingen die continu moet schakelen tussen verschillende culturen. Hierdoor kunnen ze verwarring ervaren wat betreft hun identiteit en, door de tegenstrijdigheden tussen hun leefwerelden, afstand tot de schoolcultuur.

De nadruk op assimilatie

In zijn boek Onderwijs in een gekleurde samenleving besteed Orhan Argidag uitgebreid aandacht aan waar het Vlaams en Nederlands onderwijs nog tekortschiet in termen van inclusie en representatie en wat de consequenties hiervan kunnen zijn. Een belangrijk punt dat door hem gemaakt wordt, is dat het beleid op Nederlandse scholen vaak gebouwd is op de assimilatiegedachte. Dit is het idee dat leerlingen die niet tot de dominante groep behoren zich moeten aanpassen aan de dominante cultuur. Als je als school een strategie van assimilatie toepast, forceer je studenten tot het neerleggen van bepaalde identiteiten die ze bezitten omdat daar op school geen ruimte voor is. Dit kan ontregelend werken en zorgen voor identiteitsverwarring. Daarnaast zorgt de strategie van assimilatie voor weinig herkenning van de niet-dominante groep leerlingen op school. Ze herkennen zich weinig tot niet in wat ze op school zien, horen en leren en dit kan leiden tot verlaagd zelfvertrouwen en slechtere schoolprestaties (Agirdag, 2020).

Lage ouderbetrokkenheid

Het betrekken van ouders bij de schoolloopbaan van hun kind kan een belangrijk middel zijn om verschillende leefwerelden bij elkaar te brengen. Jij bent als docent een vertegenwoordiger van de schoolcultuur, ouders zijn dat van de thuiscultuur. Helaas blijkt uit onderzoek dat bij ouders met een lagere sociaaleconomische status en/of een niet-westerse migratieachtergrond de ouderbetrokkenheid vaak lager is (Castro et al., 2015). Terwijl daar juist vaak de thuiswereld het verst afstaat van de schoolcultuur. School slaagt er niet altijd in om die ouders te betrekken die voor docenten, op het eerste gezicht, moeilijker te bereiken lijken. Zonde, want als deze betrokkenheid groter wordt, wordt het voor kinderen en jongeren ook gemakkelijker om de leefwerelden dichter bij elkaar te krijgen.

Meer lezen over ouderbetrokkenheid? Dit is een eigen thema in deze Kennisbank.

Wat kan het onderwijs doen?

Jongeren bijstaan in het proces van identiteitsontwikkeling is een lastige taak. Gelukkig zijn er dingen die je als school kunt doen om de leefwerelden bij elkaar te brengen en jongeren hierin te ondersteunen.

Op zoek naar de match

De eerste stap is bewustwording van de verschillende leefwerelden, de ingewikkelde fase van identiteitsvorming waar leerlingen zich in bevinden én jouw eigen rol hierin.

Een heldere schoolcultuur creëren

Het moet voor kinderen en jongeren duidelijk zijn wat er wel en niet kan en mag op school, wat de normen en waarden zijn en wat er precies van hen verwacht wordt. Leerlingen zijn gebaat bij duidelijkheid, juist in deze fase waar al zoveel verwarring is. Als schoolteam moet je pal gaan staan voor bepaalde schoolse waarden. “Zo doen we dat hier op school en niet anders” is in sommige gevallen een hartstikke goede gedachte die duidelijkheid biedt aan kinderen en jongeren. Het geeft niet als de schoolcultuur op sommige punten sterk verschilt van de thuis- en de straatcultuur. Het gaat erom dat de schoolcultuur duidelijk is en dat het door iedereen binnen het schoolteam op dezelfde manier wordt uitgedragen.

Vervolgens is het van belang om na te gaan waar de schoolcultuur mogelijkerwijs verschilt van de verschillende thuis- en straat/peerculturen van de leerlingen. Wat zijn verschillen die voor wrijving zouden kunnen zorgen? Zijn deze verschillen noodzakelijk of is er een manier om de verschillen kleiner te maken? Waar kun je op letten om te voorkomen dat de verschillen leiden tot wrijving?

Let op dat pogingen om de verschillende leefwerelden van leerlingen te verbinden nooit ten koste mogen gaan van de kwaliteit van onderwijs. Zowel bij leerlingen als bij leraren moet nooit het idee ontstaan dat ze zich volledig moeten aanpassen aan de codes en gedragingen van de ander. Het is dus niet een kwestie van docenten die de straatcultuur geheel omarmen of leerlingen die zich alleen nog maar gedragen volgens schoolse normen en waarden. Het gaat om balans vinden met elkaar. Docenten hoeven geen straattaal te praten, net zomin als ze van hun leerlingen moeten verwachten dat ze nooit meer straattaal praten. Als schoolteam en als docent blijft het allerbelangrijkste dat je een coherente visie hebt over wat je wel en niet wilt uitdragen, wat je straft, wat je beloont en wie jij bent. In het opstellen en naleven van deze visie is het belangrijk dat er niet gebogen wordt voor de straat- of thuiscultuur, maar kunnen de verschillende leefwerelden niet compleet genegeerd worden.

Aan de slag?

  • Schoolbrede visie - SLO (handreiking over het hoe en waarom van het opstellen en uitdragen van één schoolvisie)
  • Vooroordelen vermijden

    Het feit dat het publieke debat al jaren gedomineerd wordt door thema’s zoals integratie, immigratie en diversiteit kan het verbinden van leefwerelden in de weg staan. Het is logisch dat deze thema’s een rol in het onderwijs spelen en vormend zijn voor onze perceptie van leerlingen in onze klaslokalen. Maar, wanneer leraren dagelijks bepaalde problematiek terugzien op het nieuws en in het klaslokaal, zoals afwijkend gedrag dat vaker voorkomt bij een bepaalde groep, kan dit leiden tot stigmatiserende gedachten. Een voorbeeld hiervan is bepaald gedrag koppelen aan de etnische achtergrond van leerlingen. Sociaal afwijkend gedrag wordt dan gezien als een gevolg van gebrekkige integratie onder leerlingen van kleur, in plaats van aangeleerd gedrag dat niet binnen de schoolse gedragscodes past en dat ook witte leerlingen kunnen vertonen (El Hadioui, 2019). Dit kan resulteren in onbewuste vooroordelen over bepaalde leerlingen, die zich vervolgens weer moeilijker thuis kunnen voelen op school en een nog grotere mismatch ervaren.

    Buiten dat kan het maatschappelijke debat over integratie eraan bijdragen dat docenten vinden dat leerlingen zich maar moeten aanpassen aan de schoolcultuur en niet andersom. En in zekere zin is dat ook zo: zoals gezegd is het niet de bedoeling dat de school de straatcultuur of de thuiscultuur helemaal omarmt. Maar we willen allemaal dat leerlingen goed presteren en daarvoor zullen we met elkaar moeten meebewegen, als leerling dichter naar de docent toe, maar als docent soms ook dichter naar de leerling.

    Aan de slag?

  • Verbinden tussen school-thuis en straat - Nynke Spiegel
  • De school die kleur bekent (documentaire tweeluik over een Britse school die collectief de strijd aangaat met vooroordelen over ras)
  • Matchen: verschillende leefwerelden verbinden

    Je bewust zijn van de verschillende leefwerelden en het identificeren van een mogelijke mismatch is slechts stap één. Hierna volgt het matchen.

    Intercultureel onderwijs

    Een manier om te zorgen dat leerlingen meer aansluiting vinden in de schoolcultuur is het actief omarmen van verschillende achtergronden en culturen in het onderwijs. Zo herkennen leerlingen zich in school en voelen ze zich gezien, ook als ze niet uit de meerderheidsgroep komen. Het actief omarmen en terug laten komen van (culturele) diversiteit valt onder het begrip intercultureel onderwijs. In de jaren 90 beschreef James Banks, één van de bekendste wetenschappers op het gebied van inclusief onderwijs, de verschillende dimensies van intercultureel onderwijs.

    De eerste dimensie focust op het integreren van multiculturele voorbeelden in de inhoud van de lessen (Agirdag, 2016). Denk hierbij aan leraren die in hun lessen voorbeelden gebruiken uit verschillende culturen die gaan over verschillende groepen leerlingen. Wanneer docenten dit doen, kiezen zij er bewust voor om voorbeelden te geven die aansluiten bij de leefwereld van de groep die ze voor zich hebben. Dit zorgt ervoor dat leerlingen zich herkennen in het onderwijs. Dit kun je als docent voortdurend toepassen door bewust te kiezen welke voorbeelden je noemt, wat je de klas laat zien, wat je de klas laat lezen en ga zo maar door. Hier liggen ontzettend veel mogelijkheden. Let wel op: het integreren van interculturele voorbeelden in de les komt de representatie niet ten goede als het gedaan wordt op basis van stereotypen. Dit werkt rolbevestigend en heeft een negatief effect.

    De tweede dimensie gaat over het aanleren van een kritische houding ten opzichte van de aangeboden kennis. Alleen al het selecteren van de kennis die aangeboden wordt, brengt namelijk een bepaald gekleurd beeld over de wereld met zich mee. In het aanbieden van kennis wordt voortdurend keuzes gemaakt en dit gebeurt vaak vanuit ons dominant Westerse perspectief. Keuzes maken in wat je aanbiedt is onvermijdelijk,  maar je bewust zijn van de kleur van je keuzes en hier vervolgens openlijk over spreken met de leerlingen is een goede manier om dit in context te plaatsen. Geef je leerlingen dus mee dat kennisoverdracht niet per definitie objectief is. Dit leert hen meteen kritisch na te denken over dat wat hen verteld wordt: een win/win dus.

    Dit gebeurt nu nog niet altijd. Ga maar na. Zo leerde jij waarschijnlijk op school dat Christopher Colombus Amerika ontdekte, terwijl er in werkelijkheid al honderden jaren mensen woonden. Ontdekken is hier dus niet helemaal het gepaste woord, maar lang werd dit wel zo verteld in de gemiddelde geschiedenisles. Mocht je soortgelijke dingen tegenkomen in de schoolboeken, dan is het benoemen en bespreken al genoeg om aan de leerlingen te laten zien dat je je bewust bent van andere perspectieven. Dus: ga het gesprek over de Nederlandse rol binnen de slavenhandel wél aan en besteed aandacht aan verhalen die te weinig verteld worden binnen het gewone curriculum. Want onthoud: door iets niet te bespreken kun je óók heel veel zeggen.

    De derde dimensie sluit naadloos aan op de vorige: focus op het opvullen van gaten het kennisaanbod. Waar heb je het nooit over in de klas, maar zou je het eigenlijk wel over moeten hebben? Om de aangeboden kennis breder te maken, kun je het onderwijsprogramma aanvullen met activiteiten die stereotyperingen doorbreken. Denk hierbij aan het vieren van niet-Christelijke feestdagen, het bezoeken van culturele evenementen met een focus op diversiteit en het bezoeken van musea die hier aandacht aan besteden (bijvoorbeeld het Tropenmuseum in Amsterdam en het West-Fries museum). Betrek hier vooral je leerlingen en ouders met verschillende achtergronden bij. Zij kunnen jou uit eerste hand vertellen hoe het is om te leven met de gevolgen van stereotypering en je zo helpen bij het vormgeven van een programma.

    De laatste dimensie is eigenlijk meer een voorwaarde voor het goed kunnen overbrengen van intercultureel onderwijs. Er moet een veilig leerklimaat zijn waarin leerlingen vrijuit durven te spreken over verschillen en overeenkomsten met anderen. In een veilig leerklimaat voelen leerlingen zich meer verbonden met school en zijn ze minder geneigd om zich af te keren van het systeem school. Hier kun je meer lezen over het creëren van een veilig leerklimaat.

    Anno 2021 zijn de dimensies van Banks misschien zelfs relevanter dan toen ze bedacht werden aangezien onze samenleving alleen maar diverser wordt. Tegenwoordig gaat het niet alleen meer om een plek geven aan etnische en culturele diversiteit in het onderwijs, maar om het omarmen van de bredere diversiteit van de Nederlandse maatschappij. Aandacht voor de lhbtq+ gemeenschap, maar ook het slavernijverleden, vullen de manier waarop intercultureel onderwijs wordt toegepast aan. Zo vieren steeds meer scholen Paarse Vrijdag en worden er Kamervragen gesteld over hoe er meer tolerantie en veiligheid gecreëerd kan worden voor docenten en leerlingen uit de lhbtq+ gemeenschap. Ook burgerinitiatieven zoals Zetjein en onafhankelijk stichtingen zoals WomenInc pleiten voor een inclusiever curriculum. Zo wordt er in én buiten het onderwijs hard gewerkt aan minder eurocentrisch onderwijs met minder stereotypering en meer herkenning voor iedere leerling.

    De leraar als rolmodel

    Voor leerlingen ben jij een rolmodel, want net zoals aan hun ouders en vrienden, spiegelen leerlingen zich aan hun docenten. Leerlingen spreken expliciet uit dat een goede band met een leraar motiveert om hard te werken. Ze zijn meer bereid zich aan de schoolse codes aan te passen wanneer ze zich door hun leraren gezien en erkend voelen (Klaassen, 2012). Iedereen heeft er wel één: die docent voor wie je écht je best wilde doen. Niet omdat het moest, maar omdat je hem of haar respecteerde. Hij of zij die het verschil maakte. Diegene kan jij voor je leerlingen ook zijn en ben je vast ook al vaak geweest.

    Eigenschappen die leerlingen waarderen in onderwijzers zijn geduld, redelijkheid, begrip en inlevingsvermogen. Als een leraar deze eigenschappen laat zien, voelen leerlingen over het algemeen minder weerstand wanneer ze worden aangesproken op hun gedrag. Maar juist tegenover leerlingen die veel onwenselijk gedrag vertonen in de klas kan het onnatuurlijk aanvoelen om dit aardige gedrag te laten zien. Of zelfs onmogelijk: hoe kan jij je nou respectvol gedragen als je leerling zich zo respectloos opstelt naar jou toe? Deze primaire reactie is logisch en begrijpelijk. Leerlingen kunnen in sommige gevallen het bloed onder je nagels vandaan halen. Realiseer je echter dat je als docent altijd een voorbeeldrol hebt in de klas. Tegenover al je leerlingen, óók de lastige, die misschien heel anders

    Al op jonge leeftijd nemen we onbewust dingen over van de mensen om ons heen, dit wordt socialisatie genoemd. Socialisatie gebeurt op verschillende manieren en binnen verschillende leefwerelden. Voorbeelden van dingen die we op jonge leeftijd meekrijgen vanuit onze socialisatie zijn taalgebruik, verwachtingen, gedrag, normen, waarden, ambities en doelstellingen. Hadioui, E. (2011). Hoe de straat de school binnendringt. Denken vanuit de pedagogische driehoek van de thuiscultuur, de schoolcultuur en de straatcultuur. Van Gennep.

    zijn dan jij. Realiseer je ten alle tijden dat jij de volwassene bent en zij nog kinderen, die bovendien door een ingewikkeld proces van identiteitsvorming gaan en moeten schipperen tussen verschillende leefwerelden.

    Hierbij is kennis over de leerlingen die je tegenover je hebt de sleutel. Wanneer je beter begrijpt waar iemand vandaan komt, is het makkelijker om begrip op te brengen voor diegene. Verdiep je daarom in de straat- en thuiscultuur van je leerlingen en betrek hen daarbij. Stel vragen en je zult zien dat ze zich meteen al meer erkend voelen in hun zijn. Begrijpen waarom een leerling zich altijd sterk moet laten gelden of waarom een leerling juist nooit iets zegt in de klas, kan zorgen voor een mildere reactie van jouw kant.

    Het kan echter ook zijn dat jij niet het juiste rolmodel voor een specifieke leerling bent. Je kunt immers niet bij iedereen aansluiten. Denk dan na over wie binnen het schoolteam dat wel is of welke rolmodellen van buiten je kan inschakelen. Bekijk het hoofdstuk ‘gebruikmaken van rolmodellen’ binnen het thema Cultureel en Sociaal Kapitaal voor meer informatie hierover.


    Alle ouders betrekken

    Om school en thuis te kunnen verbinden en zo overlap tussen de leefwerelden te creëren, is het belangrijk dat er vanuit school actief gewerkt wordt aan het bereiken en betrekken van álle ouders. Ook ouders die in de eerste instantie geen tekenen van betrokkenheid laten zien. Op deze manier zien de jongeren dat de leefwerelden ook samen kunnen gaan en dat ze zelfs samen kunnen werken. In het hoofdstuk ouderbetrokkenheid staat beschreven hoe de moeilijk te bereiken ouder tóch betrokken kan worden, gebruik dit vooral om uiteenlopende leefwerelden met elkaar te verbinden.

    Het sluiten van pedagogische allianties

    In het hoofdstuk Burgerschap is het sluiten van pedagogische allianties één van de aangedragen oplossingen voor het succesvol overbrengen van burgerschapswaarden en -vaardigheden. Deze methode werkt ook voor het samenbrengen van verschillende leefwerelden. In een pedagogische alliantie zitten allerlei partijen die met jongeren werken. Al deze partijen hebben zich gecommitteerd aan een aantal kernprincipes en dragen deze uit. Op de voetbalclub, in de kerk of de moskee, in het buurthuis of bij de lokale muziekschool; overal wordt hetzelfde omgegaan met conflicten, overal wordt hetzelfde gereageerd op discriminatie, overal wordt hetzelfde gedrag beloond en afgestraft.

    Zo zien jongeren dat er wel degelijk overlap is tussen hun leefwerelden die zij zelf als zo verschillend of zelfs tegenovergesteld ervaren. Door overeenstemming te creëren met lokale buurtorganisaties over normen, waarden, verwachtingen en gepast gedrag, haal je de wijk de school in (en de school de wijk) en breng je de leefwerelden voor de leerling samen.