Ouderbetrokkenheid

Leestijd 36 minuten • Laatst bijgewerkt op

Wat is er aan de hand?

Ouderbetrokkenheid is een term die elke docent, schoolleider, bestuurder, intern begeleider, en ouder bekend voorkomt.  Op school komen niet alleen leerkrachten en leerlingen met elkaar in aanraking, maar spelen ouders ook een belangrijk  rol. De opvoeding, het overbrengen van normen en waarden en bijdragen aan de ontwikkeling van leerlingen is een samenspel tussen school en thuis: de twee plekken waar kinderen de meeste tijd doorbrengen. De serie Klassen volgt niet voor niets zowel kinderen als hun ouders.

In Klassen zie je hoe belangrijk ouders zijn. Ook in de Meetups die georganiseerd werden naar aanleiding van de serie en gericht waren op onderwijskrachten, kwamen ouders veelvuldig aan bod. Bijna elke docent heeft wel een verhaal over ouders en kansenongelijkheid. Voorbeelden van ouders die hun kinderen van bijles naar bijles sturen, zoals Tama’s moeder. Ouders die door hoge ouderbijdragen aan de school sturend zijn in wat kinderen leren, zoals op basisschool de Weidevogel. Maar ook ouders die uit beeld zijn, zoals de moeder van Anyssa. En ouders die, ondanks dat ze Nederlands niet als eerste taal spreken en het Nederlandse schoolsysteem niet goed begrijpen, vol vertrouwen en met hoge verwachtingen hun kinderen stimuleren om het beste uit zichzelf te halen. Denk hierbij aan de moeder van Yunuscan, die in de serie aangeeft dat als ze Nederlands had gesproken, ze wel honderd vragen had gesteld op de open dag van de nieuwe middelbare school van haar zoon.

Ouders en verzorgers zijn onmisbaar voor het zelfvertrouwen, de motivatie en voor de goede schoolprestaties van kinderen (Desforges & Abouchaar 2003). De mate waarin ouders hun kind thuis steunen blijkt zelfs belangrijker voor schoolprestaties dan sociaaleconomische status en opleidingsniveau (Bakker et al., 2013). Het is dan ook niet gek dat ouderbetrokkenheid een thema is dat al jarenlang op de agenda staat op scholen, bij wetenschapsinstituten en bij het

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zoals de naam al aangeeft gaat dit ministerie over zowel primair, voortgezet en hoger onderwijs. Onder het ministerie van OCW valt ook de Gelijke Kansen Alliantie, de hoofdpartner voor dit impacttraject. De Gelijke Kansen Alliantie houdt zich specifiek bezig met het creëeren van gelijkere kansen voor alle kinderen door middel van samenwerking met scholen, gemeentes en andere partners.

(Prins et al., 2013)

Aan besef dat het een goede samenwerking tussen ouders en school belangrijk is, ontbreekt het dus niet. Toch lukt dit niet bij elke ouder even goed. Sommige ouders zijn moeilijk te bereiken, andere ouders zitten juist te dicht op de schoolprestaties van hun kinderen. In dit hoofdstuk gaan we in op wat ouderbetrokkenheid is en waar je als leerkracht allemaal tegenaan kunt lopen. Want waarom is het vinden van de juiste mate en vorm van ouderbetrokkenheid op school lastig, ondanks dat er zoveel aandacht aan wordt besteed? Waarom lukt het vaak niet om goed contact te onderhouden? Wat kun je doen om deze betrokkenheid te vergroten? En te zorgen dat elke ouder zich gewaardeerd en gezien voelt op school zonder dat de invloed van bepaalde ouders overheerst?

Diamant border

Verschillen in betrokkenheid

Allereerst meer over de verschillen in betrokkenheid bij ouders die wij onderscheiden en die -
ieder op hun eigen manier - kansenongelijkheid in de hand kunnen werken. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille.

Stof tot nadenken
Ouderbetrokkenheid is de gangbare term als het om de samenwerking tussen thuis en school gaat, maar bij sommige kinderen zou het misschien beter zijn om te spreken van gezinsbetrokkenheid. Niet ieder kind wordt opgevoed door zijn of haar ouders, soms vervult een zus, oom of oma de ouderrol. Denk bijvoorbeeld aan Gianny. Gianny’s moeder speelt een rol in zijn leven en gaat mee naar gesprekken op school, maar zijn broer en zus spelen in zijn dagelijks leven een grotere rol. Zijn zus waar staat hem bij waar ze kan, zijn broer spoort hem aan om hoog te mikken. Soms spelen andere familieleden, of zelfs goede vrienden, een belangrijkere rol dan ouders in het leven van kinderen. Hoe zie je dit terug in bij je eigen leerlingen? En zitten er ook nadelen aan het eventueel betrekken van andere familieleden?

Enerzijds zijn er ouders en verzorgers die moeilijk te bereiken zijn, of lijken te zijn. Bijvoorbeeld omdat zij niet weten hoe ze hun kind kunnen ondersteunen, ze zelf weinig scholing genoten hebben, ze het Nederlandse schoolsysteem niet begrijpen, de taal niet spreken, zich niet welkom voelen op school of afstand voelen tot de docent. In sommige gevallen vinden ouders misschien het schoolniveau van hun kind simpelweg niet zo belangrijk, omdat schoolniveau voor de toekomst die zij voor hun kind voor ogen hebben minder relevant is. Of, zo simpel kan het ook zijn, omdat het gymnasium verder weg van huis is dan het vmbo.

Aan de andere kant van de medaille zien we een ander verschijnsel: ouders die beïnvloed worden door de toenemende prestatiedruk binnen de maatschappij waardoor zij sterk gefocust zijn op de schoolprestaties van kinderen. Er zijn ouders die als helikopters boven het leven van hun kind cirkelen, daarom ook wel ‘

Ouder die overmatig bezig is met het controleren van het leven van haar of zijn kind en het liefst alles zou willen sturen. Ook probeert de ouder koste wat het kost te voorkomen dat het kind in de problemen komt. In het onderwijs zie je helikopterouders terug als ouders die regelmatig verhaal komen halen bij de docent over de prestaties of het gedrag van hun kind en kritisch zijn op de leskwaliteit en het schoolbeleid. Helikopterouders willen net als de meeste andere ouders het beste voor hun kind en handelen vanuit goede intenties, maar als onderwijzer kun je potentieel last hebben van het gedrag en handelen van helikopterouders.

’ genoemd. Deze ouders willen op alle mogelijke aspecten van het leven van hun kind invloed uitoefenen.

Al deze ouders, hoe verschillend ze ook zijn, handelen met de beste intenties: ze willen dat hun kind goed terechtkomt. En dus wordt van school verwacht dat er op een respectvolle doch handige wijze met al deze ouders wordt omgegaan.

Omdat deze twee soorten ouders andere dynamieken met zich mee brengen, hebben we dit hoofdstuk opgedeeld in twee delen: de moeilijk te bereiken ouder en de helikopterouder.

Dimensies van ouderbetrokkenheid

Naast allerlei verschillende soorten ouders bestaan er verschillende dimensies van ouderbetrokkenheid.

Elk van deze dimensies, geïntroduceerd door Mariëtte Lusse (2014), is in meerdere of mindere mate van invloed op de schoolprestaties van kinderen.

Thuisbetrokkenheid

De eerste dimensie is thuisbetrokkenheid. De kern van thuisbetrokkenheid is interactie tussen ouder en kind. Het gaat om de pedagogische leer- en loopbaanondersteuning die ouders aan hun kinderen bieden. Thuisbetrokkenheid bestaat weer uit twee dimensies. De eerste dimensie is praktisch en gaat over over de activiteiten die ouders thuis met hun kinderen ondernemen, zoals praten en spelen met het kind, begeleiding bij het leren, educatieve spelletjes, verhalen voorlezen en zingen. De tweede dimensie gaat over de mate waarin ouders hun kinderen thuis ondersteunen bij het leren en welke verwachtingen ze van hun hebben. Vinden ouders school bijvoorbeeld belangrijk of zijn ze minder geïnteresseerd? En wat verwachten ouders van hun eigen kind op schoolgebied?

Ieder ouder kan in principe thuis betrokken zijn. Thuisbetrokkenheid gaat namelijk niet alleen maar om het helpen met het maken van huiswerk of een werkstuk, maar ook om onderliggende psychologische processen van betrokkenheid, zoals het aanmoedigen en bemoedigen van kinderen. Het creëren van een rustige werkplek, het brengen van een lekker kopje thee, of simpelweg duidelijk maken dat school belangrijk is en dat je daar als ouder ruimte voor wilt maken vallen hier net zo goed onder.(Desforges & Abouchaar, 2003). Zoals Peter de Vries (2021) , expert op het gebied van ouderbetrokkenheid, het formuleert: "Stel dat je kind een presentatie Spaans met je wilt oefenen, en je zelf geen Spaans spreekt, dan nog kun je een supporter van je kind zijn: je kan uitspreken hoe trots je bent dat je kind de presentatie heeft voorbereid.” Thuisbetrokkenheid is dus niet alleen weggelegd voor hoogopgeleide ouders.

Dat thuisbetrokkenheid een positieve invloed kan hebben op de schoolse ontwikkeling van kinderen, is door veel recente internationale en  nationale onderzoeken bewezen (Boonk et al., 2018). Van alle 'soorten' ouderbetrokkenheid is thuisbetrokkenheid zelfs het meest effectief. Kortom, de meest doeltreffende vorm van ouderbetrokkenheid vindt thuis plaats, en niet op school (Van der Vegt, 2017). Het is wel belangrijk om dit enigszins te nuanceren; niet elke vorm van thuisbetrokkenheid werkt positief. Er bestaat ook zoiets als te hoge verwachtingen en er te dicht bovenop zitten (Prins et al., 2013).

Samenwerking school-ouders

De tweede dimensie van ouderbetrokkenheid is de samenwerking tussen school en ouders en de manier waarop er gecommuniceerd wordt. Deze communicatie kan gaan over de voortgang van het kind op school, maar ook over wat er op school gebeurt of staat te gebeuren. In Klassen zie je bijvoorbeeld het gesprek tussen meester Thijs en Gianny’s moeder toen Gianny was opgepakt, de adviesgesprekken van Juf Jolanda en Astrid, de voorlichting voor ‘de grote oversteek’ naar de middelbare school: ze behoren allemaal tot deze vorm van ouderbetrokkenheid. Deze vorm is van belang voor de kansen van kinderen omdat ouders door contact met de school  inzicht krijgen in hoe het gaat met hun kind en welke ondersteuning ze thuis aan hun kind kunnen bieden. Deze vorm van ouderbetrokkenheid kan dus de thuisbetrokkenheid vergroten.

Samenwerking tussen school en ouders kan bijdragen aan het schoolsucces van kinderen, maar de traditionele vormen waarin scholen de ouderbetrokkenheid vormgeven zijn helaas niet altijd effectief.

Ouderparticipatie

Een derde dimensie is ouderparticipatie, waarbij ouders op formele en informele wijze hand- en spandiensten leveren aan de school of participeren in de ouder- of medezeggenschapsraad (Lusse, 2019). Hierbij kan je denken aan het mede-organiseren van het jaarlijkse kerstfeest of voorleesouder zijn. In de serie zien we de ouders van de Weidevogel die meehelpen met het organiseren van een uitgebreid kerstdiner en de eindmusical mede mogelijk maken. Van ouderparticipatie is echter niet wetenschappelijk bewezen dat het bijdraagt aan het schoolsucces van kinderen, maar je zou voorzichtig kunnen zeggen dat regelmatig, laagdrempelig contact tussen ouders en de school ook de thuisbetrokkenheid kan stimuleren (Lusse, 2013).

Stof tot nadenken
Hoewel er geen wetenschappelijk bewijs is voor de invloed van ouderparticipatie op de prestaties van leerlingen, is er wel een indirecte manier te bedenken waarop ouderparticipatie de kansen van kinderen zou kunnen beïnvloeden; via de verwachtingen van docenten. Mogelijkerwijs leidt het participeren van ouders op school tot een betere band tussen docent en ouder en zo, indirect, tot hogere verwachtingen van de kinderen van ouders. Of is er juist een omgekeerd effect, en vinden docenten té betrokken ouders vervelend? Hoe kijk jij naar participerende ouders? Hoe zou ouderparticipatie in de praktijk nog meer invloed kunnen hebben op de kansen van kinderen?

Primair onderwijs vs. voortgezet onderwijs

Misschien een schot voor open doel, maar ouderbetrokkenheid neemt andere vormen aan op het primair onderwijs dan op het voortgezet onderwijs. Naarmate kinderen zelfstandiger worden en zelf meer verantwoordelijkheden krijgen, zullen ouders op een andere manier betrokken raken bij de schoolloopbaan van hun kind.

Enkele van de doelen van het voortgezet onderwijs is leerlingen zelf verantwoordelijkheid laten nemen en zelf te leren leren. Naarmate kinderen zelfstandiger worden en zelf meer verantwoordelijkheden krijgen, zullen ouders op een andere manier betrokken raken bij de schoolloopbaan van hun kind. Als ouders er in deze fase te dicht op zitten en te controlerend zijn, komt dat de prestaties van leerlingen niet ten goede. Voor sommige dimensies van ouderbetrokkenheid is een afname gedurende de schoolloopbaan vanuit ontwikkelingsperspectief dus gewenst (Bakker et al., 2013). Omdat er vanaf het begin minder intensief contact is tussen docenten en ouders op het voortgezet onderwijs denken leraren wel eens dat ouderbetrokkenheid iets is dat vooral in het primair onderwijs een belangrijke rol speelt (Lusse & Willemse, 2018).

En hoewel de verantwoordelijkheid van ouders voor het leerproces inderdaad afneemt en dit meer bij de leerling zelf komt te liggen, blijft ouderbetrokkenheid in het voortgezet onderwijs belangrijk. Op de middelbare school kan een hoge ouderbetrokkenheid, en dan vooral thuisbetrokkenheid, nog steeds positieve effecten hebben op de academische en emotionele ontwikkeling van kinderen (Wang et al., 2014). Docenten op het middelbare scholen hebben net zo goed kennis over het vormgeven van ouderbetrokkenheid nodig. Ook is het extra van belang dat docenten in het voortgezet onderwijs de leerling een rol geven in het contact tussen school en ouders (Lusse, 2019). Naarmate leerlingen ouder worden, verandert deze rol mee.

Dit hoofdstuk over ouderbetrokkenheid is dus relevant voor onderwijskrachten in het PO en het VO. De oplossingen die worden aangedragen zijn soms wel specifiek gericht op één van de twee. Om die reden zijn de oplossingen gelabeld met een PO, VO of PO/VO kenmerk.

___

Omdat we binnen het thema ouderbetrokkenheid twee 'soorten' ouders onderscheiden hebben we dit thema opgedeeld in twee hoofdstukken.



De moeilijk te bereiken ouder

Wat is er aan de hand?

Uit internationaal onderzoek blijkt dat de ouderbetrokkenheid bij leerlingen uit minder kansrijke omgevingen lager is, terwijl juist deze leerlingen gebaat zijn bij een hoge mate van ouderbetrokkenheid (Castro, 2015). Een lagere ouderbetrokkenheid is het grootste deel van de tijd niet het gevolg van onwil aan de kant van de ouders, maar eerder van onmacht en onzekerheid. Sommige ouders weten niet hoe ze betrokken kunnen zijn bij de schoolloopbaan van hun kind of geloven niet dat ze in staat zijn een belangrijke rol te vervullen. Of ze hebben vanwege de omstandigheden waarin ze leven geen ruimte of tijd om zich hier mee bezig te houden. Neem bijvoorbeeld een alleenstaande ouder of een ouder in armoede die drie baantjes heeft om rond te komen. Niet gek dat je in die specifieke situatie geen tijd hebt om je bezig te houden met de schoolloopbaan van je kind.

Docenten zijn zich soms niet voldoende bewust van de onmacht die ouders ervaren. Dit kan leiden tot een verkeerde inschatting over de mate waarin ouders betrokken willen of kunnen worden bij de schoolloopbaan van hun kind. Docenten nemen aan dat bepaalde ouders niet betrokken willen worden en ouders hebben het gevoel dat ze geen rol van betekenis kunnen spelen in het schoolleven van hun kind (Stoep, 2018). Zonde, want leerkracht, leerling én ouder profiteren van een prettige en gelijkwaarde samenwerking.

Het goede nieuws is dat het overgrote deel van de Nederlandse ouders en verzorgers aangeeft de opleiding van hun kind belangrijk te vinden (Sluiter & Driessen, 2006). Tijd dus om te kijken naar hoe alle ouders, ongeacht afkomst en achtergrond, op hun eigen manier en in hun eigen taal kunnen bijdragen (Lusse, 2019).

Redenen voor ouders om minder betrokken te zijn of lijken te zijn

Er zijn talloze redenen voor ouders om minder betrokken te zijn, óf te lijken vanuit het oogpunt van de onderwijskracht.

Weinig vertrouwen in eigen kunnen

Een deel van het probleem ligt in de verwachtingen die ouders en verzorgers van zichzelf hebben en in hoeverre ze denken te kunenn helpen. Ouders die Nederlands niet als eerste taal spreken, zelf niet in Nederland op school hebben gezeten, het systeem niet begrijpen of zelf weinig onderwijs hebben genoten, hebben over het algemeen minder vertrouwen in eigen kwaliteiten wat betreft de  leerondersteuning van hun kind (Willemsen & Illiás, 2009). Ze geloven simpelweg niet dat ze hun kind met schoolwerk kunnen helpen. Ouders zijn zich vaak zeer bewust van de dingen die ze niet kunnen bieden. Ondersteunen op het gebied van taal is een heikel punt als ouders zelf laaggeletterd zijn, hetzelfde geldt voor rekenen of wiskunde als de ouders dit zelf nooit goed geleerd hebben. Dit kan het vertrouwen in het vermogen om te ondersteunen aantasten, zelfs als er nog tal van andere manieren zijn waarop ze hun kind wel zouden kunnen ondersteunen.

Uiteenlopende verwachtingen

Bij ouders met verschillende achtergronden kunnen uiteenlopende verwachtingen bestaan over wat gepast gedrag is om als ouder te vertonen ten opzichte van school. Middenklasse-ouders hebben vaker het gevoel dat ze duidelijk moeten laten zien dat ze betrokken zijn. Dat doen ze bijvoorbeeld door naar ouderavonden te gaan en hun kind, al voordat het naar school gaat, bekend te maken met rekenen en lezen. Deze ouders nemen actief deel aan het leerproces van hun kind omdat ze denken dat het zo hoort (Amit, 2007). Andere ouders zien onderwijzen juist als de verantwoordelijkheid van de leerkracht, net zoals het bewaren van veiligheid de taak van de politie en opvoeding de taak van de ouders is. Juist omdat ze onderwijs als taak van de docent zien, houden ze zich bewust afzijdig. Ze willen niet openlijk de expertise van de docent in twijfel trekken, net zomin als zij het zouden waarderen als de docent hun opvoedkundige expertise in twijfel trekt. Deze ouders hebben andere verwachtingen over wat er op school van hen verwacht wordt. Ze geven niet de signalen van betrokkenheid af die de docent verwacht, terwijl ze zich in sommige gevallen uit respect afzijdig houden en minder pro-actief opstellen. Het zegt daarom niets over hun betrokkenheid.

Geen ruimte of tijd

Hoewel het grootste deel van de ouders betrokken wil zijn bij de schoolloopbaan van hun kind , zijn er ook ouders die hier de ruimte of tijd simpelweg niet voor hebben. Dit was ook iets dat steeds terugkwam bij de Meetups en de Scholendagen die we organiseerden rondom Klassen. Je herkent dit vast als docent: niet iedere ouder is te betrekken. Er zijn nou eenmaal ouders die door geldzorgen, langdurige armoede, fysieke of mentale ziekte, mantelzorgen of velen uren moeten werken in twee of zelfs drie banen, niet in staat zijn om hun kind voldoende te ondersteunen op het gebied van school. Hierdoor kan een kind het gevoel hebben er alleen voor te staan.

Wat is de rol van het onderwijs hierin?

Het idee dat ouders met een lagere sociaaleconomische status hun kinderen niet kunnen of willen bijstaan zorgt voor gemiste kansen. De groep ouders met een lagere sociaaleconomische status is divers en ook hier verschilt de mate van betrokkenheid sterk per ouder. Er is niet altijd sprake van een lage thuisbetrokkenheid bij kinderen uit kansarme milieus en met beperkte middelen kan er een fijne leeromgeving gecreëerd worden. Daarbij is thuisbetrokkenheid meer dan alleen ondersteunen met schoolwerk, ook verwachtingen en interesse spelen hierbij een grote rol. Er is vaak ruimte om moeilijk te bereiken ouders te betrekken, maar deze wordt niet altijd volledig benut.

Negatieve wederzijdse beeldvorming

De verschillende redenen voor ouders om niet betrokken te zijn of lijken te zijn kunnen bijdragen aan het beeld van een afwezige ouder of een ouder die niet geïnteresseerd is in de ontwikkeling van zijn of haar kind. De betrokkenheid van ouders met een lagere sociaaleconomische status of met een niet-westerse migratieachtergrond wordt dan ook vaak onderschat door docenten of schoolleiders. Dit wordt mede veroorzaakt doordat docenten de betrokkenheid van ouders aflezen uit hun aanwezigheid op school of baseren op de signalen die ze afgeven, terwijl juist voor deze ouders de drempel van school gevoelsmatig hoog is, of ze een ander beeld hebben van hoe ze zich ten opzichte van de school zouden moeten gedragen. Als dit meteen wordt opgevat als desinteresse kan bij de docenten de wil om in de relatie met ouders te investeren, rap afnemen. Dit gevoel wordt alleen maar sterker als er vanuit het schoolteam wel pogingen zijn gedaan om de ouder te bereiken, maar hij of zij niet thuis geeft. Als je je best doet, maar het niets oplevert kan dat frustrerend zijn. Vanuit jouw hoogstwaarschijnlijk middenklassebril is het erg verwarrend dat een ouder geen of weinig signalen van ouderbetrokkenheid afgeeft. Waarom zou een ouder niet betrokken willen zijn bij de schoolloopbaan van zijn of haar kind? En hoe kan het nou dat bepaalde groepen ouders zo ongeïnteresseerd overkomen? Als hier vervolgens een negatieve houding tegenover de ouders in kwestie uit voortkomt, kan dit een tegenreactie bij de ouders oproepen. Doordat de ouders weinig waardering en ondersteuning ervaren vanuit school, zetten ze zich af tegen school en wordt school steeds meer gezien als veroorzaker van mogelijke problemen die spelen bij het kind, in plaats van als een prettige samenwerkingspartner (Bakker et al., 2019). Het resultaat? Een aanhoudende lage ouderbetrokkenheid ten nadele van het kind in kwestie. In extreme gevallen kan deze wederzijdse negatieve beeldvorming zelfs leiden tot een situatie waarin ouder- en kind lijnrecht tegenover de school komen te staan omdat zowel de school als de ouders niet inzien hoe ze samen het leerproces van het kind zouden kunnen ondersteunen.

Grote kloof tussen ouder en docent

‌Wanneer een docent andere achtergrondkenmerken heeft dan zijn of haar leerlingen en hun ouders kan er een kloof tussen de leefwerelden bestaan. Over het algemeen behoren docenten in Nederland tot de midden- of hogere klasse, terwijl ze ouders kinderen van alle achtergronden in de klas hebben zitten. Het kan dan ook voorkomen dat de ouder-docentrelatie met ouders van een lagere sociaaleconomische status niet gelijkwaardig of wederkerig is. Dat komt bijvoorbeeld doordat ouders opkijken tegen de leraar en daardoor minder snel weerwoord bieden. Ze nemen iets van de docent al snel als waarheid aan. “De leraar zal het wel bij het juiste eind hebben”, is bij deze groep ouders sneller de gedachte. Bij ouders uit de midden- of bovenklasse van de samenleving ligt dit anders, omdat hun manier van communiceren beter aansluit bij de gewoonten en gebruiken op de school van hun kind. Sterker nog; bij ouders uit de midden en bovenklasse zal het eerder voorkomen dat de ouder in kwestie zichzelf slimmer dan de docent acht en denkt het beter te weten. In de band tussen ouder en leerkracht is dan ook een milieuonderscheid te maken en hier delven ouders uit een lager sociaaleconomisch milieu vaak het onderspit (Lusse, 2019).

Gebrek aan kennis over elkaar

Zowel negatieve wederzijdse beeldvorming als de kloof tussen ouder en docent kunnen voort komen uit een gebrek aan kennis over elkaar. Dat je niet over alle ouders evenveel kennis hebt is niet gek. De klassen zijn tegenwoordig groot en divers. Het is al ingewikkeld genoeg om alle kinderen uit je klas écht te leren kennen, laat staan hun ouders. Toch kan het lonen om hier aandacht aan te besteden, aangezien de thuisbetrokkenheid en ouderbetrokkenheid op school belangrijk zijn voor de schoolprestaties van een kind. Uit onderzoek blijkt dat er op scholen nu vaak onvoldoende kennis is over de verschillende soorten ouders die een school rijk is (De Jong et al., 2017). Dus, wat voor ouders heb je in je klas? Wat zijn hun verwachtingen van school? Wat voor redenen zouden er achter het wegblijven op school kunnen zitten? Is dit echt desinteresse of is het een van de andere bovenstaande redenen?

Wat kan het onderwijs doen?

Het is dus belangrijk om juist te investeren in het contact met ouders die moeilijk te bereiken lijken, zelfs als dit tegen je intuïtieve gevoel ingaat. Maar hoe doe je dit? He begint allemaal met hebben van voldoende kennis over jezelf en de ouders waarmee je contact hebt. Daarna volgt het hoog leggen van de lat: wat als je uitgaat van wat er zou kunnen zijn in plaats van wat er niet is ?

Bewustzijn van eigen positie

Dat begint met kijken naar jezelf. Want door wat voor bril kijk jij naar de wereld? Van welke klasse ben jij onderdeel? Wat voor kleur of sekse heb je en hoe beïnvloedt dat jouw kijk op de wereld? Van welke groepen voel jij je onderdeel? Welke identiteit(en) heb je?

Nadenken over hoe je afkomst, in de breedste zin van het woord,  de samenwerking met ouders in de weg kan staan of juist kan bevorderen, is essentieel voor het betrekken van ouders bij het onderwijs. Het is belangrijk om je te realiseren dat jouw maatschappelijke positie de blik van ouders kan beïnvloeden en dat jouw beeld van hen tegelijkertijd beïnvloed wordt door je eigen achtergrond. Misschien kijken zij tegen jou op en jij op hen neer, of juist andersom. Je hiervan bewust zijn en ouders hierover, op een subtiele manier, bevragen, kan bijdragen aan jullie relatie en wederzijds begrip.

Kennis over elkaar opdoen

Geen ouder is hetzelfde. De diverse sociaaleconomische en culturele milieus waarin kinderen zich bevinden leiden tot een verscheidenheid aan middelen, opvoedstijlen, normen, waarden en vaardigheden die ouders tot hun beschikking hebben om kinderen te ondersteunen bij hun schoolsucces. Hier op een positieve manier mee omgaan, vereist kennis van de ouders en vervolgens kennis van de verschillende culturele visies ten opzichte van school. Aandacht besteden aan de verschillende culturele, sociale en etnische achtergronden, de gesproken talen en economische omstandigheden van de ouders van jouw leerlingen, kan veel interessante informatie opleveren.  Zeker als je hen zonder vooroordelen benadert. Misschien begrijp je nu opeens waarom sommige ouders niet graag op school komen, of waarom de communicatie met bepaalde ouders zo stroef verloopt.

Misschien voelt het als een stapel huiswerk om hierachter te komen, maar het contact met ouders zal op termijn vergemakkelijken en z’n vruchten afwerpen (Van der Pluijm, 2020). Daarnaast leer je via de ouders ook van alles over de kinderen die je lesgeeft, een win-win situatie.

De lat hoog leggen

De volgende stap is dat je je bewust moet worden van je - wellicht onbewuste - verwachtingen van ouders. Zijn deze hoog of laag? Het is namelijk belangrijk om hoge verwachtingen te hebben en deze ook uit te stralen naar ouders, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Want hoe zet je lage verwachtingen om naar hoge verwachtingen? Wat heb je ervoor nodig om dat te kunnen? En hoe breng je je verwachtingen op een prettige doch duidelijke manier over aan ouders? Voor het omzetten van lage naar hoge verwachtingen is in ieder geval introspectie nodig. Je moet nagaan wat precies je verwachtingen van ouders vormt en welke onbewuste vooroordelen hier wellicht aan ten grondslag liggen.

Wanneer je je realiseert dat bijna alle ouders en verzorgers, met al hun verschillende culturele en sociaaleconomische achtergronden, betrokken kunnen worden bij het schoolsucces van hun kind, dan wordt het wellicht makkelijker om hen te benaderen. Het overgrote deel van de ouders geeft immers aan graag betrokken te zijn bij de schoolloopbaan van hun kind (Lusse, 2019).

Het werkt eigenlijk net zoals met leerlingen: leg je de lat voor ouders hoog en geef je hen tegelijkertijd het voordeel van de twijfel, dan gaan ze hoger springen.

Is dit gelukt? Dan is de kunst om te zorgen dat je positieve verwachtingen ook als zodanig overkomen op de ouders in kwestie. Daarvoor moeten ze concreet gemaakt worden. Dit houdt in dat hoge verwachtingen, naast een bepaald geloof of een bepaalde mindset, ook een houding worden. Denk bijvoorbeeld aan het geven van feedback: hoe geef je op een constructieve manier feedback op de manier waarop ouders hun kinderen begeleiden? Hoe zorg je dat je vragen ouders motiveren tot nadenken? En dat er uitgebreide antwoorden gegeven worden in plaats van dat gesprekken snel doodlopen? Hier vind je praktische tips hoe je deze houding aan kunt nemen en hoe je hier vervolgens binnen de school en in de klas mee aan de gang kunt gaan (Voerman & Faber, 2020).

Investeren in intensiever contact

Zoals besproken kan contact tussen ouders en docent positief bijdragen aan de ontwikkeling van leerlingen, mits het prettig contact is waaruit blijkt dat docent én ouder zich verantwoordelijk voelen voor de schoolprestaties en het welzijn van de leerling.  Veelgebruikte contactvormen om te werken aan een goede relatie zijn het tienminutengesprek en de ouderavond. Helaas werken deze niet altijd goed genoeg.

In het onderwijsvragenboek stelt Claire Boonstra de vraag waarom we eigenlijk tienminutengesprekken hebben gekozen als belangrijkste middel om ouderbetrokkenheid te stimuleren (Boonstra et al., 2019). Vanuit organisatorisch perspectief zitten er grote voordelen aan het tienminutengesprek: het is een laagdrempelige vorm van direct contact met ouders, het is efficiënt en het is makkelijk om te plannen in het drukke schema van docenten en ouders.  Maar precies de efficiëntie van het tienminutengesprek is ook de  keerzijde. Doordat het allemaal snel moet, ligt de focus van het gesprek al snel op wat er niet goed gaat. Er is weinig tijd, en je wilt waarschijnlijk eerst bespreken wat er nog te verbeteren kan of moet. Dit is logisch, maar als er daarna geen tijd meer is om te bespreken wat er wél goed gaat kan dit zowel ouders als kind achterlaten met een teleurgesteld en negatief gevoel. Omgekeerd geldt het overigens ook: als een docent overwegend positief is over een leerling en hiermee het grootste deel van het gesprek vult, is er misschien niet voldoende ruimte om te bespreken waar er nog winst te behalen valt. Kortom: het is moeilijk - misschien zelfs onmogelijk -  om in een gesprek dat zo kort is een genuanceerd, realistisch en compleet beeld van een leerling te schetsen.

Daarnaast wordt het kind zelf vaak niet bij de tienminutengesprekken betrokken, waardoor zowel docent als ouder gemakkelijk uit het oog kunnen verliezen dat ze een gemeenschappelijk doel hebben en dat ze elkaar nodig hebben om dit te bereiken. De vraag is dus of we er goed aan doen om het tienminutengesprek te zien als dé manier om ouders te betrekken bij de schoolloopbaan van kinderen.

Zeker bij voor jou moeilijk te bereiken ouders is het de moeite waard om na te denken over alternatieven en/of aanvullingen op het tienminutengesprek. Als je zelf merkt dat het niet werkt, is het hoogstwaarschijnlijk tijd om iets anders te proberen. Gelukkig zijn er veel alternatieven. Zo definieert Peter de Vries, schrijver van diverse handboeken met betrekking tot ouderbetrokkenheid, verschillende succesvolle manieren om ouderbetrokkenheid te vergroten.

1. Het startgesprek

Een goed alternatief voor het tienminutengesprek zijn kennismakings- of startgesprekken met alle leerlingen en hun ouders aan het begin van elk schooljaar. In dit gesprek kan aandacht worden besteed aan de specfieke ambities. Er is ruimte voor het bespreken van de wederzijdse verwachtingen: Wat verwacht de leerling van dit jaar? Wat verwacht ouders van de docenten en andersom? En wat doen jullie als jullie merken dat verwachtingen en de realiteit sterk uiteen lopen?

Bij een startgesprek is het kind is in principe altijd aanwezig, waardoor zowel ouders als docent voortdurend herinnerd worden aan het doel van het gesprek: het kind vooruit helpen. Als dit gesprek goed wordt uitgevoerd, geeft het een positieve start aan de relatie tussen school en thuis. Klik hier voor meer informatie over hoe je een succesvol en kwalitatief hoogstaand startgesprek kunt organiseren. Als je behoefte hebt aan meer ondersteuning dan kun je dit kaartspel gebruiken (PO) en dit handboek voor mentoren (VO).

2. Gespreksarrangementen

Een persoonlijk gespreksarrangement afgestemd op de voorkeuren van ouders kan de relatie tussen school en ouder ook ten goede komen. Het gespreksarrangement begint met het startgesprek waarin je individuele afspraken over contact maakt met ouders. In samenspraak wordt afgestemd hoeveel contactmomenten jullie denken nodig te hebben, wanneer deze momenten het beste kunnen plaatsvinden en via welk communicatiemiddel het contact zou moeten lopen. De afgesproken gesprekken hoeven geen tienminutengesprekken te zijn, maar kunnen ook langer of korter zijn. Het is goed als ouders het idee krijgen dat ze inspraak hebben maar het kan voor een docent ook prettig zijn om meer invloed te hebben op welk gesprek wanneer plaatsvindt. De behoefte van het kind staat hierbij natuurlijk centraal: hoeveel verwachten jullie aan tijd en overleg nodig te hebben voor dit specifieke kind? Lees hier meer over het opstellen van op maat gemaakte ouderarrangementen.

3. Het huisbezoek

Een andere vorm van ouder-leerkracht communicatie die onomstreden positieve effecten heeft is het huisbezoek. Vroeger waren huisbezoeken gangbaar in Nederland, maar vandaag de dag niet meer. Dit is niet zo gek, want huisbezoeken kosten veel tijd en tijd is schaars onder docenten: er is nog steeds een lerarentekort en er is altijd genoeg nakijkwerk te doen. Voor docenten klinkt het herinvoeren van het huisbezoek waarschijnlijk vooral als enorm veel extra werk en een nog hogere werkdruk met meer verplichtingen. Voor de ouderbetrokkenheid kan het herinvoeren van huisbezoeken echter ontzettend effectief zijn en op de langere termijn kan dit de werkdruk die je als docent ervaart verlichten, simpelweg omdat je als docent minder het idee hebt er alleen voor te staan en je nauwer met ouders kunt samenwerken.

Verschillende internationale onderzoeken laten namelijk de grote voordelen zien die er aan huisbezoeken verbonden zijn. Zo wordt er verbetering gezien in het gedrag van leerlingen in de klas (Wright et al., 2018), heeft het een positief effect op gestandaardiseerde testscores (Sheldon & Bee Jung, 2018), draagt het bij aan een betere band tussen docent en ouder, leidt het tot meer ouderparticipatie (Wagner et al., 2003) en zorgt het voor hogere aanwezigheid bij ouderavonden en andere verplichte schoolactiviteiten (Meyer & Mann, 2006). Omdat er zoveel meetbare en wetenschappelijk aangetoonde voordelen verbonden zijn aan het huisbezoek, zou het herinvoeren van huisbezoeken een serieuze overweging moeten zijn, zeker als het bereiken van ouders via de 'conventionele' wegen niet tot nauwelijks lukt.

4. Het omgekeerde oudergesprek

Een andere verfrissende manier om het ouder-docent contact in te vullen is het omgekeerde oudergesprek. In een omgekeerd oudergesprek hebben de ouders in plaats van de mentor de leiding over gesprek. Ouders worden aangesproken op hun kennis over hun eigen kind: zij zijn de experts en weten wat hun kind nodig heeft om zich goed te voelen en te kunnen presteren. Voorafgaand aan een omgekeerd oudergesprek krijgen ouders een vragenlijst opgestuurd met daarop vragen zoals: “Ik zou willen dat de mentor van mijn zoon/dochter weet dat...”, of “Wat heeft u kind nodig om er een goed jaar van te maken?”. Deze vragenlijst biedt sturing en zorgt ervoor dat ouders de tijd hebben om hun antwoorden voor te bereiden. Ouderbetrokkenheidsdeskundige Peter de Vries is geen voorstander van het vooraf opsturen van vragenlijsten omdat school volgens hem zo alsnog de leiding neemt over het gesprek en het gesprek niet compleet gelijkwaardig kan zijn. Andere onderwijskrachten en ouders staan juist wel positief tegenover deze manier van gesprekken voeren. Kortom: kijk vooral of het voor jou en de ouders uit je klas werkt of niet. Probeer, stel vragen, evalueer en pas aan: zo vind je uiteindelijk de juiste vorm die bij jou, je leerlingen, hun ouders en de school past.

Wil je meer weten over het creatief invullen van het docent-oudercontact? Klik dan hier voor meer inspiratie. Daarnaast heeft ook EducationLab een toegankelijke toolkit samengesteld over ouderbetrokkenheid.

Het betrekken van leerlingen bij het contact met ouders

Terwijl contact tussen ouder en docent volledig om de leerling draait, vinden de contactmomenten nog steeds vaak plaats zonder de leerling. Best gek toch? Mariëtte Lusse en Peter de Vries noemen het betrekken van leerlingen dan ook een randvoorwaarde voor goed contact tussen ouders en docenten. Voor een leerling is het belangrijk dat er niet alleen óver hem of haar wordt gepraat, maar ook mét hem of haar. Het gaat ten slotte over het leven van het kind, niet het leven van de docent of de ouder. Bovendien voelen leerlingen het vertrouwen tussen school en ouders naadloos aan. Zelfs een kleuter die tijdens een oudergesprek in de hoek aan het spelen is, heeft door dat de leraar en ouders een vertrouwensrelatie met elkaar aangaan. Dit kan een gevoel van zekerheid bij de leerling versterken.

In een gesprek waarbij zowel de ouder als de leerling aanwezig zijn, kun je op meerdere manieren op interactie inspelen. Je kan bijvoorbeeld alvast een thuisopdracht geven die de leerling met zijn of haar ouders kan bespreken, zoals het aangaan van een gesprek over de eigen schoolervaringen van de ouders. Denk hierbij aan voorbereidende vragen zoals “Wat vonden jullie vroeger het leukst en het minst leuk aan school?”. In het gesprek zelf kan je het “Ken je kwaliteiten spel” spelen, waarbij de leerling een kwaliteit moet kiezen die het meest bij hem of haar past. De ouders en de leraar kunnen daarna de kwaliteit kiezen die zij het meest passend vinden voor het kind. Het betrekken van de leerling kan het gesprek openbreken en kan een onverwachts mooie wending nemen, die zonder de aanwezigheid van het kind niet vanzelfsprekend is (Dirksen, 2018).

Ouderbetrokkenheid thuis vergroten

Thuisbetrokkenheid heeft van de verschillende niveaus van ouderbetrokkenheid de grootste invloed op de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van leerlingen, hier wil je als docent dus veel van. Tegelijkertijd is het ook de dimensie van ouderbetrokkenheid die het lastigst te sturen is vanuit school. Het speelt zich achter de deuren van kinderen thuis af.

Om de thuisbetrokkenheid te vergroten, kan het nuttig zijn om te focussen op de kennis van ouders. Dit kan op twee manieren. Allereerst door hun kennis over hoe zij hun kind kunnen helpen te vergroten. Dit houdt in dat je hen duidelijk maakt dat thuisbetrokkenheid niet alleen het uitleggen van de leerstof is, maar ook het stimuleren van de leerling om te gaan leren, het leerproces comfortabel maken, hen prijzen als ze het goed doen en hoge maar niet te hoge verwachtingen te hebben. Leer ouders dat er talloze manieren zijn van ondersteuning die niks met rekenen of lezen te maken hebben. Daarnaast kan het opkrikken van de schoolse kennis van ouders de investering waard zijn. Het is belangrijk om hierbij de sterkste taal van de ouders de ruimte te geven. Kunnen ouders hun kind niet in het Nederlands ondersteunen, maar wel in het Arabisch? Dan is dit ook goed! Maak duidelijk dat ouders de betrokkenheid thuis vanuit hun eigen kwaliteiten vorm kunnen geven en heb vervolgens ook het vertrouwen dat ze dit zullen doen.

Een voorbeeld van een interventie gericht op het vergroten van de thuisbetrokkenheid is het Ei van Colombus, gericht op ouders van leerlingen uit groep één en twee. In deze interventie werken pedagogische medewerkers met ouders aan hun woordenschat, leren ze hoe ze thuis educatieve activiteiten kunnen ondernemen met hun kinderen en worden ze voorbereid op deelname aan schoolactiviteiten. Deze interventie is met name gericht op ouders die qua Nederlandse taalbeheersing op beginnersniveau zitten, maar er is ook een programma voor ouders die op een hoger niveau de taal beheersen. Deze interventie heeft een positief effect op de taalvaardigheid van ouders en leerlingen en vergroot de ouderbetrokkenheid, zowel thuis als op school. Meer effectieve interventies gericht op het vergroten van de thuisbetrokkenheid kunnen gevonden worden op de site van het NJI en nieuwe veelbelovende programma’s zijn onder andere Pageturner en Thuis in Taal.

Voor meer informatie en handige werkvormen kun je ook de gereedschapskist oudergeletterdheid van de Hogeschool Rotterdam gebruiken.

Buddysysteem voor ouders

Ouder-schoolcontact kan ook bevorderd worden door het contact tussen ouders onderling in de vorm van een buddysysteem. Als buddies wisselen ouders ervaringen met elkaar uit en leren ze elkaars kwaliteiten en vaardigheden kennen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een vader die zich zorgen maakt om de onlangs ontdekte dyslexie van zijn dochter en die gekoppeld wordt aan een ouder die al ervaring heeft met een soortgelijke situatie. Ouders die in een echtscheiding zitten, kunnen worden gekoppeld aan een vader of moeder die net dezelfde relatieperikelen achter de rug heeft en ouders die de Nederlandse taal nog niet volledig machtig zijn, kunnen  gekoppeld worden aan een ouder die beide talen spreekt.

Het organiseren van een buddysysteem is relatief eenvoudig en goedkoop. De school hoeft slechts in kaart te brengen of ouders behoefte hebben om bepaalde ervaringen met andere ouders te delen en vervolgens zorgen voor het uitwisselen van gegevens. Omdat ouders steun bij elkaar vinden en niet meer voortdurend bij docenten hoeven aan te kloppen, kan een buddysysteem werkdruk bij leraren wegnemen. Bovendien wordt het gevoel van een gemeenschap versterkt, doordat ouders op elkaar kunnen terugvallen. Op basisschool de Rank in Alkmaar worden nieuwe ouders bijvoorbeeld direct aan een andere ouder gekoppeld, die hen inwijdt in de school, bepaalde activiteiten toelicht en een thuisgevoel meegeeft. Zowel nieuwe ouders als ouders die al langer onderdeel uitmaken van de ouderpopulatie blijven hierdoor nauw betrokken bij de school, wat het ontstaan van een gemeenschapsgevoel in de hand werkt (de Vries, 2021).

Aan de slag?

  • Ouders als buddy voor elkaar - Peter de Vries(artikel met meer uitleg over het buddysysteem)


  • De helikopterouder

    Wat is er aan de hand?

    Prestatiedruk. Het is een veelgehoord begrip in de onderwijswereld. Meer dan vroeger zouden leerlingen, al vanaf jonge leeftijd, te maken hebben met een voortdurend gevoel te moeten presteren (RTL Nieuws, 2018). Dit begint al in het primair onderwijs en ontwikkelt zich verder in het voortgezet onderwijs: één op de tien jongeren in het primair onderwijs heeft last van faalangst (Nederlands Jeugd Instituut, 2020) en één op de drie jongeren in het voorgezet onderwijs geeft aan regelmatig te lijden onder het gevoel van prestatiedruk (Unicef, 2020).

    De prestatiedruk beperkt zich niet tot kinderen. Ouders reproduceren, bestendigen en verergeren in sommige gevallen de prestatiedruk die kinderen ervaren. Het resultaat? Helikopterouders en gestresste kinderen. Helikopterouders zijn ouders die op alle mogelijke manieren invloed willen uitoefenen op het leven van hun kinderen. Dat ze dat willen is niet gek, want de prestatiedruk komt vanuit de gehele maatschappij. Ouders lijden hier net zo zeer onder als kinderen. In een ander hoofdstuk van deze kennisbank lees je meer over prestatiedruk en hoe de meritocratische gedachte 'te krijgen wat je verdient' ons denken en ons handelen beheerst. In dit hoofdstuk staan we stil bij wat prestatiedruk met ouders en kinderen kan doen en hoe je hier als docent omgaat.

    De toenemende prestatiedruk is een maatschappijbrede ontwikkeling die zich óók los van het onderwijs voltrekt. Maar de manier waarop we ons onderwijssysteem hebben ingericht draagt er zeker aan bij. Kinderen worden vanaf zesjarige leeftijd voortdurend getoetst, er ontstaan al vroeg plusklassen en alles lijkt in het teken te staan van het bepalende selectiemoment in groep acht. Vervolgens delen we het onderwijs op in zeven niveaus waarbij het ene niveau leidt tot een hogere opleiding dan het andere. De serie laat niet voor niets zien hoezeer het selectiemoment en de daaruit voortkomende schoolniveaus de gemoederen van de kinderen bezighouden. Voor Viggo en zijn vriendjes lijkt het vwo het ultieme doel, Yunuscan wil toch écht liever naar de havo dan naar het vmbo en ook Esma had de Citotoets graag zo willen maken dat haar advies omhoog gekrikt werd.

    In haar boek De Bijlesgeneratie licht Louise Elffers de groeiende focus op diploma's verder toe. Hierbij haalt ze de invloedrijke denker Karl Marx aan. Marx zag het onderwijssysteem niet alleen als een middel om de onderdrukte arbeidersklasse te bevrijden, maar ook om hen verder te onderdrukken. Het onderwijs heeft namelijk een selectiefunctie waarmee het mensen toewijst aan bepaalde maatschappelijke posities. Het middelbare schooladvies kan gezien worden als een concreet voorbeeld van deze selectiefunctie. Het instituut school bepaalt met een advies tot welke vormen van hoger onderwijs een leerling toegang krijgt. Als hier structurele patronen in te ontdekken zijn in het voordeel van de meer geprivilegieerde groep, zoals het structureel over-adviseren van leerlingen met hoger opgeleide ouders (Onderwijsraad, 2019), dan onderdrukt in plaats van emancipeert het onderwijs.

    Middelbare schooladviezen en diploma’s worden zo toegangstickets tot de hogere klasse. Een hbo- of universitaire opleiding zorgt namelijk voor betere kansen op de arbeidsmarkt (RTL Nieuws, 2020). Daarnaast heeft opleidingsniveau een positieve invloed op de gezondheid, relatievorming, inkomen en democratische participatie. Zo bekeken is hoger dus wel ‘beter’ (Elffers, 2017).

    Onze maatschappij beloont hoogopgeleiden meer dan laagopgeleiden. Het is dus begrijpelijk dat ouders alles op alles zetten om hun kind naar het vwo en daarna naar de universiteit te krijgen. Ze menen dat dat het beste is voor hun kind en zouden daar nog wel eens gelijk in kunnen hebben. Niet gek dus dat kinderen dat net zo goed voelen. Het is niet voor niks dat Esma, Yunus-Can en Viggo nét dat stapje hoger willen. Dat hóeft niet. We zeggen niet dat ieder kind het vwo moet. Maar het is wel begrijpelijk dat kinderen en hun ouders dat wensen.

    De groei van schaduwonderwijs

    Er zijn verschillende manieren waarop je de groeiende prestatiedruk en de focus op het diplomapapiertje terugziet in het onderwijs. De concreetste is misschien wel de explosieve groei van de bijles-industrie. Neem bijvoorbeeld Tama uit de serie. Haar moeder ziet het als noodzakelijk dat Tama nu extra tijd besteedt aan haar schoolwerk, zodat ze later meer kansen krijgt. Dat vond Tama’s moeder bij haar eigen opvoeding ook niet leuk, maar achteraf was ze haar moeder dankbaar. Tama ziet bijles als valsspelen, haar moeder vindt het niet meer dan extra je best doen.

    De moeder van Tama is niet de enige die inzet op bijles: steeds meer kinderen maken gebruik van zogeheten schaduwonderwijs. Schaduwonderwijs is een overkoepelende term voor alle aanvullende onderwijsactiviteiten waar ouders zelf voor betalen. Denk hierbij aan bijlessen, huiswerkbegeleiding en Cito- en examentrainingen. De uitgaven van ouders aan schaduwonderwijs verdubbelden van 77 miljoen in 2005 naar 189 miljoen in 2015 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016). Deze toename is het sterkst in het voortgezet onderwijs. Naar schatting maakt tegenwoordig één op de drie gezinnen met kinderen in het voortgezet onderwijs gebruik van een vorm van schaduwonderwijs (Elffers & Jansen, 2019). Bijles is - ondanks de positieve effecten op leerprestaties - een grote drijvende kracht achter kansenongelijkheid. Want niet ieder kind heeft toegang tot bijles vanwege de kosten die eraan verbonden zijn.

    Naast bijles worden er door ouders andere middelen gebruikt om invloed te hebben op de schoolcarrière van hun kinderen. Soms stappen ouders direct op de docent af om een cijfer of een advies omhoog te krijgen. Uit een enquête van CNV onderwijs blijkt dat leraren uit groep acht regelmatig te maken hebben met intimidatie van ouders (de Vos, 2018). Ouders doen er in sommige gevallen alles aan om het schooladvies aan te laten passen, van cadeautjes geven aan de docent tot het aanvoeren van een elders afgenomen IQ-test. Hoger opgeleide ouders zijn eerder geneigd om op zoek te gaan naar medische verklaringen voor het gedrag of de prestaties van hun kinderen, bijvoorbeeld door te onderzoeken of het kind ADHD of dyslexie heeft. Een medische verklaring kan kinderen een voorsprong geven omdat ze zo intensievere begeleiding bij hun schoolwerk krijgen, net als meer tijd om toetsen te maken. Als de kinderen in kwestie deze extra hulp daadwerkelijk nodig hebben is het natuurlijk een goede zaak dat ze het krijgen. Het jammere is alleen dat lageropgeleide ouders of ouders met een niet-westerse migratie-achtergrond dit in veel mindere mate doen voor hun kinderen, waardoor hun kinderen niet dezelfde begeleiding krijgen, ook niet als ze dat misschien wel nodig hebben. Hoger opgeleide ouders navigeren zich sneller, slimmer en behendiger door het onderwijsveld en dit kan de kansenongelijkheid vergroten (RTL Nieuws, 2020).

    In het kader van ongelijkheid kleven er meer nadelen aan het optreden van helikopterouders. Zo kunnen kinderen lijden onder de prestatiedruk die zij ervaren en die vervolgens door hun ouders nog extra versterkt wordt. Buiten dat krijgen kinderen op deze manier al op jonge leeftijd het hoog en laagdenken ingeprent. Ze worden vatbaar voor het idee dat mensen die langer gestudeerd hebben meerderwaardig zijn aan mensen die minder lang naar school zijn geweest. Daarnaast is de steeds luider klinkende stem van de ouders in het bepalen van het curriculum van school en de groeiende rol van ouders als hulpdocent zaken die zorgen baren. Ouders zijn geen pedagogen en zouden zich ook niet zo op moeten stellen. Tijdens de coronacrisis werd het veel ouders maar al te duidelijk: lesgeven is niet iets wat iedereen kan, het is een vak apart. Het is dus maar de vraag of het wenselijk is dat ouders zich zo toeleggen op de schoolcarrière van hun kinderen.

    Wat is de rol van het onderwijs hierin?

    Beeldvorming

    Het feit dat hoogopgeleide ouders zich beter kunnen navigeren in het onderwijs, mondiger zijn en sneller een medische indicatie zoeken voor hun kinderen, kan zowel de beeldvorming als het oordeel van de docent beïnvloeden (VO-Raad, 2016). Wat betreft de beeldvorming gaat het voornamelijk over verwachtingen van docent naar ouder en van docent naar kind. Zichtbaar betrokken ouders kunnen hoge verwachtingen scheppen over hun kinderen, terwijl er lagere verwachtingen kunnen ontstaan van kinderen met schijnbaar afwezige ouders. In veel gevallen zal dit onbewust gaan en is het een proces wat langere tijd duurt, maar het kan leiden tot een oneerlijke achterstelling.

    Een ander probleem met beeldvorming over helikopterouders is de gedachte dat het alleen witte hoogopgeleide ouders kunnen zijn. Maar, ook ouders met een niet-westerse migratieachtergrond of met een lagere sociaaleconomische status kunnen te veel van hun kinderen verwachten, juist omdat ze willen dat hun kinderen het beter gaan hebben dan zij het hebben gehad. En hier hoort de toegang tot een zo hoog mogelijke opleiding bij. Het is dus niet zo dat de opwaartse druk zich beperkt tot één groep ouders.

    Oordeel

    De houding en overtuigingskracht van mondige ouders kan invloed hebben op het oordeel van de leraar, bijvoorbeeld wat betreft het overgaan, behaalde cijfers of het middelbare schooladvies. Simpelweg omdat leerkrachten zich onder druk gezet voelen en gevoelsmatig geen tegenwicht kunnen bieden aan deze ouders. Het is makkelijk voor te stellen dat dit de verschillen tussen kinderen vergroot, zeker als er een groep ouders tegenover staat die minder mondig is. Alhoewel deze bewering moeilijk te staven is met data, is er wel indirect bewijs voor: kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen vaker dan kinderen van lager opgeleide ouders een hoger middelbare schooladvies dan hun eindtoets aangeeft (De Groot, 2016).

    Invloed van ouders op school(beleid)

    In Amerikaans onderzoek wordt bewijs gevonden voor een afhankelijkheidsrelatie tussen publieke scholen en ouders die hoger op de welvaartsladder staan. Ouders zijn dan niet alleen afhankelijk van de school voor de scholing van hun kinderen, maar de school is ook afhankelijk van de ouders. Waarom? Omdat scholen economische en sociale status ontlenen aan de ouders van de kinderen die ze lesgeven. Door deze verworven status trekken de scholen weer meer ouders met een hogere sociaaleconomische status aan, en zo houdt het zichzelf in stand (McCrory Calarco, 2020).  Een concreet vorobeeld uit de serie is de extra muziekles die leerlingen op basisschool de Weidevogel krijgen. Deze muziekles wordt volledig betaald door de ouders. De reactie van Mirjam Leinders, bestuurder van scholengroep Innoord, illustreert waarom dit een probleem is: deze muziekles is een privilege voor de kinderen van de Weidevogel omdat hun ouders dit muziekprogramma kunnen betalen.Mirjam Leinders betwijfelt dan ook of het wel te veranwoorden is dat deze groep kinderen meer extracurriculaire activiteiten krijgen dan hun leeftijdsgenoten op scholen waar ouders deze bijdrage niet kunnen leveren. Zo worden de verschillen tussen scholen én leerlingen alleen maar groter.

    Het probleem van machtige ouders strekt zich verder uit dan toenemende ongelijkheid tussen scholen. Ook binnen scholen kan de invloed van ouders met een hogere sociaaleconomische status leiden tot  meer ongelijkheid. Dit gebeurt met name als de school en haar docenten, gestuurd door de afhankelijkheid van een selecte groep ouders, zich overmatig aanpassen aan de belangen en wensen van deze ouders.

    Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat deze ouders en hun kinderen een voorkeursbehandeling krijgen als het gaat om het niet opvolgen van de regels. In hetzelfde eerder aangehaalde Amerikaanse onderzoek wordt namelijk bewijs gevonden voor de bewering dat docenten coulanter omgaan met kinderen van ouders met een hogere sociaaleconomische status als het gaat om het breken van de regels, zoals te laat komen of het niet maken van huiswerk. Docenten in het onderzoek geven aan iedere ouder en ieder kind hetzelfde te willen behandelen, maar zeggen tegelijkertijd ook sterk het gevoel te hebben dat er bepaalde ouders zijn die je te vriend wil houden. Dit resulteert in een voorkeursbehandeling van kinderen en ouders met een hogere sociaaleconomische status. Deze afhankelijkheidsrelatie tussen de school en ouders met een hoge sociaal economische status, werkt in het voordeel van kinderen die toch al een streepje voor hebben; ze mogen meer en worden minder hard afgerekend op fouten dan hun minder welgestelde klasgenoten (McCrory Calarco, 2020).

    Een ander probleem is dat het lesprogramma wordt aangepast naar de wensen van een bepaalde groep ouders - de groep die dat kan betalen en mondig is -, terwijl andere ouders - die niet mee kunnen betalen of minder aanwezig zijn op school - heel andere dingen belangrijk kunnen vinden, maar geen kans hebben om invloed uit te oefenen.

    In principe wordt ouderparticipatie op school, bijvoorbeeld zitting  in de medezeggenschapsraad (MR), gezien als iets positiefs. Het geeft ouders een gevoel van eigenaarschap en de kans om hun kinderen te representeren. Een kanttekening hierbij is dat in de MR vaak uit een relatief homogene groep ouders bestaat. Hierdoor representeren zij lang niet alle kinderen op school. Over het algemeen genomen is de ouderparticipatie op school hoger onder wetenschappelijk opgeleide ouders (Bakker et al., 2013). Het belang van de kinderen met hoger opgeleide ouders wordt dus sterker vertegenwoordigd dan het belang van kinderen met praktisch opgeleide ouders. Dit kan leiden tot een schoolklimaat dat uitsluitend ingesteld is op de kansrijke kinderen.

    Daarnaast kan de inmenging van ouders op schoolbeleid nadelig zijn omdat ouders vaak geen didactische of pedagogische kennis hebben. Een bepaalde verandering in school kan dan worden doorgevoerd omdat het ‘leuk' is of ‘goed voelt’, in plaats van omdat het goed past binnen het curriculum en nodig is. Leuke lessen nemen dat tijd in die broodnodig is voor bijvoorbeeld lessen rekenen en taal. Ook dit benadeelt kinderen uit kansarmere gezinnen, omdat zij het echt van de schooltijd moeten hebben. Ten slotte kost de inmenging van helikopterouders het schoolteam energie, zeker als je voortdurend in gesprek moet en het idee heb dat je voortdurend onder een vergrootglas ligt.

    Wat kan het onderwijs doen?

    Begrip tonen

    Het is cruciaal om je bewust te zijn van de drijfveren van ouders, zeker als het gaat om ouders die overbetrokken lijken. Stel jezelf altijd de vraag wat jij voor je kinderen zou willen. Het gaat bij alle ouders, dus ook helikopterouders, om het scheppen van realistische verwachtingen en tegelijkertijd erkennen dat ze ‘het beste willen voor hun kind. Er is hierin geen strakke scheidslijn waar ouders zich wel of niet mee mogen bemoeien. De centrale vraag is: wanneer zit een ouder op de stoel van de leerkracht, en wanneer komt ouderlijke bemoeienis de leerling juist ten goede?

    Peter de Vries stelt zelfs dat een overbetrokken ouder niet bestaat. Iedere ouder vecht voor z’n kind en kent zijn of haar eigen kind het beste. Om die reden, beargumenteert hij , zou je nooit of te nimmer uit moeten gaan van kwade intenties bij ouders: bijna elke ouder handelt het grootste deel van de tijd vanuit dieperliggende betrokkenheid bij de schoolse activiteiten van zijn of haar kind met het oog op een goede toekomst (de Vries, 2021).

    Duidelijkheid creëren

    Binnen het schoolteam

    Het ideaal is dat je er al schoolteam in slaagt om op een respectvolle en passende manier met alle ouders om te gaan. En dat zonder dat onderwijskrachten over hun eigen grenzen heen gaan om ouders tevreden te stellen. Om dit te kunnen bereiken, of er in ieder geval dichtbij te kunnen komen, moeten er binnen het schoolteam afspraken gemaakt worden over de rol en invloed van ouders binnen de school. Een duidelijke visie vanuit de school is een vereiste. Daarnaast is het belangrijk om onderling ervaringen te delen en te bespreken waar en hoe je een grens trekt: hoe gaan je collega’s ermee om als een ouder zich dwingend of zelfs agressief opstelt? En wat kan je hiervan leren?

    Met ouders

    Zet in op een open houding en maak duidelijke afspraken. Voor elke docent ligt de grens tussen fijne communicatie en te veel input krijgen van ouders anders. Een startgesprek aan het begin van het schooljaar kan meer duidelijkheid scheppen over de wederzijdse verwachtingen. Wat verwachten beide partijen van elkaar? Wat vinden de ouders belangrijk voor de schoolse ontwikkeling van hun kind? Wat voor verwachtingen hebben ouders van hun kind en de docent? Hierbij kan het helpen om in te zetten op een zogeheten ‘no surprises strategie’: het kan zijn vruchten afwerpen om ouders gedurende het schooljaar goed op de hoogte te houden. Op deze manier ga je niet enkel de dialoog aan met ouders wanneer er slecht of goed nieuws is, maar houd je e ook op de hoogte van de progressie van een leerling en wat er wel goed gaat (Ouders en Onderwijs, 2019).

    Eigenlijk zou je dus, paradoxaal genoeg, kunnen concluderen dat een groot deel van de besproken oplossingen bij de moeilijk te bereiken ouder óók werkt voor de helikopterouder. Zo kan het betrekken van leerlingen in de oudercommunicatie, het uitvoeren van huisbezoeken en het op maat maken van gespreksarrangementen net zo goed de band met deze groep ouders versterken, aangezien ze de communicatie verhelderen, bijdragen aan een vertrouwensband en zorgen voor duidelijk verwachtingen van docent tot ouder en vice versa. Daarnaast zou je ook kunnen nadenken over een buddysysteem voor ouders die veel stress ervaren vanwege de schoolloopbaan van hun kind.



    Samen beslissingen nemen

    Om te zorgen dat je als individuele leerkracht sterker staat ten opzichte van ouders en hun potentiële invloed, kunnen belangrijke beslissingen - zoals het middelbare schooladvies, maar ook het wel of niet overgaan - samen genomen worden. Dit gebeurt op heel veel scholen gelukkig al, zoals we ook zien in Klassen. Het samen nemen van beslissingen zorgt er niet alleen voor dat je krachtiger staat tegenover mondige ouders, maar ook dat een beslissing die veel invloed heeft op het leven van een kind niet afhankelijk is van het oordeel van één persoon. En dat is weer eerlijker en beter voor het kind.

    Aan de slag?

  • Ouders als buddy voor elkaar - Peter de Vries(artikel)
  • Ouderbetrokkenheid is niet moeilijk - Peter de Vries (artikel over o.a. het startgesprek en het gespreksarrangement)