Prestatiedruk

Leestijd 11 minuten • Laatst bijgewerkt op

Het middelbareschooladvies houdt de kinderen in serie Klassen bezig. Zo ook bij Viggo (11) in de klas. We zien Viggo en zijn vriendjes op het voetbalveld. Ze zijn speels en eigenlijk te jong om al zo met de toekomst bezig te zijn, maar ze zijn er overduidelijk druk mee. Hun belangrijkste doel: het halen van een vwo-advies. "Jij krijgt sowieso vwo!”, bevestigt het ene vriendje het andere. Even later zien we hoe de rapporten uitgebreid worden vergeleken door de klasgenoten. ”Hoeveel tienen heb jij?”,“Per tien krijg ik tien euro van mijn vader!” Je ziet hoe de kinderen elkaar onderling opjutten. Een havo-advies is voor sommige kinderen een reden tot huilen, een vwo-advies de heilige graal. Maar ook Yunuscan, Vera en Tama doen er alles aan om een ‘hoger’ advies te krijgen. Eén ding wordt pijnlijk duidelijk in Klassen: kinderen van twaalf, soms zelfs elf, snappen de waarde van een papiertje in de vorm van een middelbare schooldiploma maar al te goed.

Het feit dat de serie Klassen sterk focust op het belang van het middelbare schooladvies stuitte soms op weerstand binnen het onderwijs. Een vraag die vaak gesteld werd, was waarom het in de serie lijkt alsof alle kinderen naar het vwo moeten. Mensen vroegen “waarom wordt hoger gepresenteerd als beter in de serie Klassen?”. Of mensen zeiden, ter verdediging van het vmbo: “het vmbo is een goede opleiding” en “we hebben als samenleving (v)mbo-ers hard nodig.”

Het punt dat de serie probeert te maken is niet dat iedereen naar het vwo moet. En ook niet dat vmbo een "slechtere" opleiding is dan het vwo. Maar het legt wel de vinger op een zere plek: namelijk dat ouders, docenten én kinderen, of beter gezegd de hele samenleving, steeds meer streeft naar hoog, hoger, hoogst. Dat het onderwijs daardoor een wedstrijd is geworden met de Cito in groep acht als eindfinish. Dat de winnaars naar het vwo gaan en de verliezers, ja, dat spreken we liever niet uit…

Om dit aspect van de serie meer context te geven, gaat dit hoofdstuk in op de manier waarop wij in onze samenleving over succes denken en hoe dit leidt tot een race naar de top. Een lastig punt, want in eerdere hoofdstukken wordt juist gepleit voor een hogere lat en hogere verwachtingen. Werkt dat niet de ratrace in de hand? We zien het als twee waarheden die naast elkaar bestaan: naast dat sommige kinderen chronisch onderschat worden, is er tegelijkertijd een ratrace ontstaan waar met name de bovenkant van het onderwijs - de kansrijke kant - gevangen in zit.




Een meritocratische samenleving

In Nederland is je opleidingsniveau bepalend voor je maatschappelijke succes. Hoogopgeleiden hebben het, over het algemeen, in Nederland beter voor elkaar dan laagopgeleiden. Er zijn half zo weinig hoogopgeleide als laagopgeleide werklozen, hoogopgeleiden verdienen gemiddeld het dubbele en in het onderwijs doen kinderen van hoogopgeleide ouders het beter (de Beer & van Zijl, 2016). Daarbij zijn bijna alle politici die ons representeren hoogopgeleid. Hoogopgeleiden maken de dienst uit in Nederland (Schakel & van der Pas, 2020).

Als je dit zo leest lijkt het best oneerlijk: waarom zouden laagopgeleiden het zoveel slechter moeten hebben? En waarom zijn de onderlinge verschillen eigenlijk zo groot?

Een manier om deze verschillen te verantwoorden is de gedachte dat mensen die aan de bovenkant staan dit verdiend hebben. Niet omdat ze een bepaalde afkomst hebben, zoals vroeger misschien het geval was, maar omdat ze aanleg hebben voor dat wat ze doen én omdat ze hard gewerkt hebben. Door een combinatie van talent en hard werken zijn deze mensen gekomen waar ze nu zijn: ze krijgen wat hen toekomt.

Krijgen wat je toekomt is een meritocratische gedachte. Een meritocratie is een samenleving waarin mensen hun positie in de maatschappij toegewezen krijgen op basis van hun vaardigheden en hun geleverde inspanning. Merit betekent verdienste: in een meritocratie krijg je wat je verdient. Of, iets negatiever geformuleerd, in een meritocratie wordt er

Het ongelijk behandelen van personen of groepen op basis van kenmerken van die personen die in deze situatie niet relevant zijn.” Sociaaleconomische status is één van deze kenmerken, net als afkomst, geslacht, godsdienst, seksuele voorkeur, nationaliteit, leeftijd of het hebben van een handicap. (Wij leren, z.d.).

op basis van prestaties.

Ongelijkheid is er in een meritocratie nog steeds, daar ontkom je niet aan. Sommige mensen hebben nou eenmaal meer talent voor het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn voor het bekleden van hoge maatschappelijke posities. Of ze bezitten de vaardigheden en talenten die gewaardeerd worden door de maatschappij. Iemand die heel goed is in curling verdient minder dan een profvoetballer, een succesvol advocaat verdient meer dan een verpleegkundige. En dat terwijl het prima kan dat ze allebei even hard werken. Maar niet elk talent of vaardigheid wordt even belangrijk gevonden in de maatschappij.

Maar afgezien daarvan heerst in een meritocratie het idee dat er ruimte is om te klimmen: als je én aanleg hebt én hard je best doet, dan is er ook voor jou een weg omhoog. Het is the American Dream. Het idee dat alles, ook voor jou, mogelijk is.

Er is wat te zeggen voor een meritocratische samenleving. Ten eerste gaat het ervan uit dat een groot deel van de factoren die mensen in de weg kunnen staan om te klimmen, geen rol meer spelen. Het maakt in een perfecte meritocratie niet uit wat het inkomen van je ouders is, waar je geboren bent of welke huidskleur je hebt. Daarnaast doet iedereen in een meritocratie wat hij of zij het beste kan. Hierdoor worden ieders capaciteiten optimaal benut en draagt iedereen op zijn of haar manier optimaal bij aan de maatschappij. Een meritocratie is efficiënt en eerlijk. Ook bevestigt de meritocratie een krachtig vrijheidsbeeld , dat spreekt mensen aan.“Ik heb controle over wat er met mij gebeurt en ik bepaal mijn toekomt” is voor veel mensen een geruststellendere gedachte dan, “waar ik geboren ben, bepaalt waar ik ga eindigen.”(Sandel, 2021)  Op het eerste heb je namelijk wel invloed, op het tweede niet.




Een meritocratische mythe

Als de meritocratie efficiënt, eerlijk en vrij is, klinkt het eigenlijk als een win-win-win situatie. Maar er is ook kritiek. Het voornaamste en meest voor de hand liggende kritiekpunt is: waarom is selecteren op talent of slimheid wél eerlijk als we hebben besloten dat selecteren op huidskleur of afkomst niet acceptabel is? En: is het niet heel willekeurig welk talent er wel beloond wordt in onze samenleving en welk talent niet? Een mogelijk antwoord op deze vraag is dat ongelijkheid altijd zal blijven bestaan en dat een zekere mate van ongelijkheid ook wenselijk is: meritocratie is dan het beste van het slechtste.

Dan heb je natuurlijk nog de vraag of het ideaal en de praktijk van meritocratie niet sterk uiteen lopen. Want, hoewel we graag geloven dat iedereen in Nederland dezelfde kansen heeft, blijkt je afkomst toch vrij bepalend voor waar je gaat eindigen. Je huidskleur, je sociaaleconomische status en je geslacht spelen een grote rol in het bepalen van je maatschappelijke positie. Het gaat dus niet alleen over hard werken en talent hebben, er spelen wel degelijk andere factoren mee. En dan is het eigenlijk oneerlijk om toch te zeggen dat iedereen kan klimmen, alsof al deze extra factoren niet bestaan. Vanuit alle informatie die verzameld is in deze kennisbank kunnen we concluderen dat Nederland nog absoluut geen perfecte meritocratie is. Sterker nog; er zijn nog heel wat barrières die weggenomen moeten worden, willen we dat punt bereiken. Dus, misschien is een perfecte meritocratie inderdaad een mythe. Maar zelfs als dit niet zo zou zijn, is een meritocratische samenleving dan wél wenselijk?




De tirannie van de verdienste

Volgens Michael Sandel, rechtsfilosoof aan Harvard, niet. Hij ziet een donkere keerzijde aan meritocratie en vooral aan de meritocratische gedachte dat iedereen krijgt wat hij of zij verdient. Volgens Sandel leidt een meritocratie net zo goed tot een klassenmaatschappij als bijvoorbeeld een aristocratie, maar dan één waarin de degene die aan de top belanden ervan overtuigd zijn dat ze het verdiend hebben. Als succes je eigen verantwoordelijkheid is, dan is falen je eigen schuld. De meritocratie biedt de winnaars in een ongelijke samenleving de mogelijkheid om te geloven dat hun positie moreel rechtvaardig is (Sandel, 2021).

Sandel is niet de eerste die dit waarneemt. In 1958 schetste Micheal Young in zijn boek ‘the Rise of Meritocracy’ een pessimistisch beeld van een meritocratische toekomst. Namelijk een toekomst waarin de maatschappij niet alleen ongelijker is, maar vooral een maatschappij waarin de bovenlaag van de samenleving geen enkel gevoel van bewustzijn meer heeft van de rol van geluk bij het behalen van hun succes (Elffers, 2020).

Dit klinkt allemaal misschien wat abstract, maar dat is het niet. In een meritocratie voelen de winnaars zich alsof ze hun positie verdiend hebben, maar de verliezers net zo goed (Kuppens et al., 2018). De verliezers delen dit sentiment. Meritocratisch denken is meester Frans die zegt dat de kinderen uit zijn klas hun hoge advies verdiend hebben en hiermee impliceert dat de kinderen zonder vwo-advies dat net zo goed verdiend hebben. Zo kan de meritocratie verworden tot een tirannie van de verdienste: een bepaalde groep mensen klimt niet én eindigt onderaan in de samenleving en iedereen, inclusief zijzelf, heeft het gevoel dit verdiend te hebben. Want de belofte van het klimmen was er óók voor hen.

Meritocratisch denken heeft dan ook gevolgen voor onze onderlinge gevoelens van solidariteit. Als we allemaal geloven dat we het helemaal op eigen kracht gemaakt hebben dan beïnvloedt dit hoe we onszelf en onze maatschappelijke verantwoordelijkheid zien. Als je aan de bovenkant staat, kun je gemakkelijk denken: ik ga jou niet helpen als je gewoon ook wat harder had kunnen werken, net zoals ik heb gedaan. De verliezers van de meritocratie hebben dan ook alleen recht op hulp (vanuit de overheid, maar ook in het algemeen) als ze buiten hun eigen schuld of toedoen in de problemen zijn gekomen. De welvaartsstaat is zo geen buffer meer voor de eigen verantwoordelijkheid, maar houdt vooral bij waar de eigen verantwoordelijkheid van burgers begint (Sandel, 2021).

De schaduwzijde van het meritocratisch denken zie je in Nederland duidelijk terug. De welvaartsstaat is de laatste decennia hervormd tot een controle-instrument, met als extreme uiting de toeslagenaffaire (Frederik, 2020). Ouders die aanspraak maakten op toeslagen vanuit de overheid werden vanaf het begin gezien als potentiële fraudeurs, in plaats van mensen die een steuntje in de rug nodig hebben om in hun pure levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit past binnen een tijdsgeest waarin het gaat om controleren in plaats van tegemoetkomen en waarin je schuldig bent aan het feit dat je hulp nodig hebt, in plaats van pech dat je het (net) niet redt (Kleinnijenhuis, 2020). Maar ook het neerkijken van hoogopgeleiden op lageropgeleiden laat de invloed van meritocratisch denken zien. Volgens recent onderzoek is klassisme in Nederland één van de meest geaccepteerde vormen van discriminatie. Waar Nederlandse hoogopgeleiden zich wel bewust zijn van de schadelijke gevolgen van racisme en seksisme, hebben ze een blinde vlek voor hun eigen voordelen ten opzichte van lageropgeleiden (Kuppens et al., 2018). Zo passen hogeropgeleiden, over het algemeen, op met gebruiken van stigmatiserende woorden als het om mensen van kleur gaat, maar doen ze dit bij klasse minder. Iemand een pauper noemen, of dom, lijkt wél sociaal geaccepteerd. Dit krijg je, als je positie in de maatschappij wordt gezien als verkregen door een verdienste, en niet afhankelijk van geluk of toeval.




Diploma­democratie

Wat voor gevolgen heeft meritocratisch denken voor het onderwijs? En welke rol speelt het onderwijs in een meritocratische samenleving?

In grote lijnen kun je twee ontwikkelingen onderscheiden in het onderwijs die te maken hebben met meritocratisch denken. De eerste gaat over de economische waarde die er wordt gehecht aan hogere/universitaire opleidingen. In een maatschappij waarin klimmen de belofte voor iedereen is, maar niet alle maatschappelijke posities evenredig gewaardeerd worden, wordt toegang tot (hoger) onderwijs de allerbelangrijkste doelstelling. Naar de universiteit gaan is, volgens deze gedachtegang, het hoogst haalbare, want de universiteit biedt toegang tot de beste banen en dus het meeste financiële zekerheid.

Daarnaast komt er een zekere maatschappelijk status kijken bij het hoogopgeleid zijn, en die status is misschien nog wel belangrijker dan het financiële voordeel. Een tekenend voorbeeld hiervan is het grote fraudeschandaal waarin delen van de Amerikaanse elite via een grootschalig fradeursbureau hun kinderen op onrechtmatige wijze op elite-universiteiten kregen. Het schandaal was zo omvangrijk dat de FBI zich ermee moest bemoeien. Het interessante hieraan is dat deze specifieke ouders hun kinderen niet alleen maar op een topuniversiteit wilden krijgen om financiële redenen: geld was voor geen van deze ouders het probleem. De echte reden zou best eens kunnen zijn dat ze hun kinderen de status en het gevoel van zelfvoldoening gunnen die horen bij hoogopgeleid zijn. En dat gaat over meer dan alleen geld verdienen (Sandel, 2021).

Hoge diploma’s behalen wordt zo een doel op zich. Het gaat vaak meer om het papiertje dan om de kennis en vaardigheden die je opdoet tijdens je schoolloopbaan. Laat staan of je geschikt bent voor wat je doet, om nog maar niet te spreken over of je er plezier uithaalt.

Ook in Nederland zie je hoe de race naar de top vorm krijgt. Er is een woekergroei aan bijlesinstituten en Cito- en eindexamentrainingen. De uitgaven van ouders aan bijles, in de breedste zin van het woord, verdubbelden van 77 miljoen in 2005 naar 189 miljoen in 2015 (Centraal Bureau voor Statistiek, 2016). Deze toename is het sterkst in het voortgezet onderwijs; naar schatting maakt tegenwoordig 1 op de 3 gezinnen gebruik van betaalde hulp bij het schoolwerk. Daarbij is een groeiend gedeelte van de bevolking hoogopgeleid: het aantal hoogopgeleiden nam de afgelopen tien jaar toe met 20%. We gaan dus, met z’n allen, steeds meer ‘omhoog’ (Maslowski, 2020).

Op deze manier verworden universiteitsdiploma’s tot de heilige graal. En kinderen, ouders en onderwijskrachten uit Klassen voelen dat haarfijn aan, zelfs als ze nog nooit van het woord meritocratie gehoord hebben.

Als gevolg van deze opwaartse druk krijgen mensen op steeds meer jongere leeftijd te maken met stress gerelateerde problemen. Het zijn niet alleen dertigers en veertigers meer die kampen met ee burnout, ook op universiteiten en zelfs middelbare scholen zie je dat kinderen steeds vaker uitvallen door stress of slaaptekort. Evy, de 15jarige vwo’er uit de serie, slaapt nog maar drie tot vier uur per nacht omdat ze zoveel stress heeft van haar schoolwerk. Viggo’s klasgenoten huilen om een havo-advies en ook Viggo is in eerste instantie niet blij met zijn havo-vwo advies. Zijn ouders steunen hem en zeggen dat hij er blij mee moet zijn, maar zijn vader weet maar al te goed wat het is om in ambitie en concurrentie gevangen te zitten: hij zit al maanden thuis vanwege een burn-out. Zowel Evy als Viggo en zijn ouders lijken pas echt tot rust te komen als de pandemie toeslaat en het leven vanzelf gas terugneemt.

Daarnaast heeft meritocratisch denken nog een ander gevolg. Het onderwijs wordt hoofdverantwoordelijke gemaakt voor het oplossen van de kansenongelijkheid. Als elk kind maar hetzelfde goede onderwijs krijgt, heeft elk kind dezelfde kansen. Maar in werkelijkheid beginnen leerlingen al zo ongelijk, dat het voor het onderwijs vaak dweilen met de kraan open is. De invloed van de verschillen tussen kinderen is in sommige gevallen groter dan de invloed van het onderwijs op de kansen van kinderen. Het is dus niet zo dat ongelijkheid veroorzaakt wordt door het onderwijs en dat het onderwijs alle ongelijkheid de wereld uit kan helpen. Neem alleen de loon-ongelijkheid: zolang hoogopgeleiden zoveel meer verdienen dan lageropgeleiden, zullen mensen ernaar blijven streven om hoogopgeleid te worden.

Misschien lijkt het erop dat deze kennisbank zich net zo goed schuldig maakt aan het roepen dat het onderwijs 'alles op moet lossen'. De focus van de kennisbank ligt op wat er in het onderwijs moet gebeuren om kansengelijkheid te creëren, niet op de maatschappij als geheel. Maar zonder als maatschappij ook in te zetten op het garanderen van gelijke uitkomsten, wordt alleen het onderwijs verantwoordelijk gehouden voor het nivelleren van de kansen. En dat, vinden wij, is oneerlijk.

Want het onderwijs kan de maatschappelijke ongelijkheid niet alleen oplossen, hiervoor is een brede maatschappelijke verandering nodig: in mentaliteit en daarmee ook in beleid. Het onderwijs kan alles binnen haar macht doen om gelijkere kansen te creëren, maar loopt daarbij ook tegen haar grenzen aan. Pas als de maatschappelijke ongelijkheid kleiner wordt, of in ieder geval stopt met groeien, dan kan het onderwijs haar rol als grote gelijkmaker écht vervullen. Of, een optimistischere visie, als het onderwijs, de politiek en de maatschappij de handen ineen slaan, dan kan er écht wat veranderen.