Begrippenlijst

Beperkte code (taal): In zijn werk maakte de socioloog Bernstein onderscheid tussen twee  soorten taalcodes. Eén van de twee is de beperkte code. Dit type code wordt gebruikt in vertrouwde situaties waar mensen een gedeeld referentiekader hebben en in situaties waar weinig woorden nodig zijn om elkaar te begrijpen. Bij het spreken vallen sprekers terug gedeelde achtergrondkennis en begrip (Bernstein, 1971)

Burgerschap: heeft betrekking op “sociale, maatschappelijk en politieke onderwerpen waarin we van elkaar afhankelijk zijn om tot een goede uitkomst te komen.” Burgerschap is dus een relationeel begrip: het gaat om de relaties die mensen met anderen hebben, maar ook over de manier waarop mensen zich positioneren in de samenleving en hoe ze erin slagen vreedzaam problemen op te lossen die voortkomen uit tegengestelde belangen en waarden (Eidhof, 2019, p.40)

Collective teacher-efficacy: Het collectieve geloof van het schoolteam in hun vermogen om hun studenten op een positieve manier te beïnvloeden (Hattie, 2015)

Culturele achtergrond: gaat over de normen, waarden en gebruiken die iemand vanuit huis mee krijgt. Vaak wordt de culturele achtergrond gekoppeld aan etnische achtergrond, maar dit is niet in alle gevallen terecht. Ook mensen met dezelfde etnische achtergrond kunnen verschillende culturele achtergronden hebben. Uit de culturele achtergrond van mensen komt het type cultureel kapitaal voort dat ze bezitten (Agirdag, 2020)

Cultureel kapitaal: staat voor alle kennis, opleidingen en vaardigheden die een persoon bezit, bewust én onbewust. Het gaat om titels en certificaten, zoals je middelbareschooldiploma of een taalcertificaat, maar ook om bepaalde gedragingen en je manier van kleden en praten (Bourdieu en Passeron, 1970).

Deficietbenadering: Een benadering uitsluitend gericht op gebreken of tekorten. Dit staat haaks op een benadering waarop ook ruimte is voor het zien van kwaliteiten, mogelijkheden en potentie (Rinnooy-Kan, 2021)

Democratisch waarden: Belangrijke democratische waarden zijn inclusiviteit (democratie is er voor iedereen) , dialoog (de mogelijkheid tot meepraten over de totstandkoming van beleid), zeggenschap/invloed , transparantie en tegenkracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld gelijke behandeling door de rechtbank, vrije en eerlijke verkiezingen, onafhankelijke pers, vrijheid voor opoositiepartijen om de regering te bekritiseren en goed bestuur ( Kanne, Staartjes & Conradie, 2019)

Discrepantiefeedback: Feedback die gericht is op wat er (nog) niet goed gaat (Voerman & Faber, 2020).

Discriminatie: “Het ongelijk behandelen an personen of groepen op basis van kenmerken van die personen die in deze situatie niet relevant zijn.” Sociaaleconomische status is één van deze kenmerken, net als afkomst, geslacht, godsdienst, seksuele voorkeur, nationaliteit, leeftijd of het hebben van een handicap (Agirdag, 2020, p.60)

Differentiatie: “Differentiatie in het onderwijs is de manier waarop een docent bewust, positief en planmatig omgaat met de cognitieve, metacognitieve, motivationele en culturele verschillen tussen lerenden en daarop zijn of haar onderwijs afstemt" (Universiteit Utrecht, z.d.)

Etnische achtergrond: Gaat over het volk waartoe iemand zich rekent of de etnische groep waar iemand zich deel van voelt. Dit gaat over meer dan alleen huidskleur of herkomst van de meerderheidsgroep, al is dat waar men meestal aan denkt bij etnische achtergrond. Mensen rekenen zichzelf tot een etnische groep vanwege herkomst en voorkomen (zoals huidskleur), maar ook vanwege socialisatie en ervaren verwantschap. Ook Nederlanders vormen een etnische groep (Agirdag, 2020).

Etnische discriminatie: Discriminatie op basis van etnische kenmerken ( Agirdag, 2020).

Fixed mindset: Het geloof dat intelligentie, talent en andere vaardigheden al (grotendeels) vaststaan bij de geboorte en dus onveranderlijk zijn. (Dweck, 2011)

Functioneel meertalig leren: Het inzetten van andere talen dan het Nederlands om de taalverwerving en vaardigheid in het Nederlands te stimuleren  (Groothoff, 2020)

Growth mindset: Het geloof dat intelligentie, talent en andere vaardigheden ontwikkeld kunnen worden en dus niet vaststaan (Dweck, 2011)

Progressiefeedback: Feedback die gericht is op wat er wel al goed gaat (Voerman & Faber, 2020).

Halo-effect: Dat voorkennis van een persoon een positief of negatief beeld over die persoon creëert, waarna die anders beoordeeld of behandeld wordt, ook bij zaken die niets te maken hebben met de eerdere prestaties (Akkers, 2021)

Helikopterouder: Ouder die overmatig bezig is met het controleren van het leven van haar of zijn kind en het liefst alles zou willen sturen. Ook probeert de ouder koste wat het kost te voorkomen dat het kind in de problemen komt. In het onderwijs zie je helikopterouders terug als ouders die regelmatig verhaal komen halen bij de docent over de prestaties of het gedrag van hun kind en kritisch zijn op de leskwaliteit en het schoolbeleid. Helikopterouders willen net als de meeste andere ouders het beste voor hun kind en handelen vanuit goede intenties, maar als onderwijzer kun je potentieel last hebben van het gedrag en handelen van helikopterouders (encyclo.nl, z.d.)

Identiteitsverwarring: Verwarring over identiteit die er kan ontstaan bij jongeren gedurende hun pubertijd en adolescentie. Wie zijn ze? Wie willen ze zijn? Wat kenmerkt hen? Tot welke groep behoren ze? Dit zijn vragen die tijdens deze fase centraal staan én kunnen zorgen voor een gevoel van verwarring (Bron: El Hadioui, 2011)

Intercultureel onderwijs: Het actief omarmen van verschillende achtergronden en culturen in het onderwijs (Agirdag, 2020)

Intersectionaliteit: Het idee dat “onze verschillende identiteiten/categorieën van verschil (ras, klasse, gender, seksualiteit, etc.) elkaar beïnvloeden op materieel, institutioneel en symbolisch niveau met als resultaat dat we op een verschillende manier met discriminatie of machtsposities te maken krijgen.” (Jouwe, 2019)

Kansarm: Kansarm zijn komt voor uit kansenarmoede. Kansarmoede is een toestand waarin mensen beperkt worden in hun kansen om toegang te krijgen tot maatschappelijk hoog gewaardeerde goederen en diensten, zoals onderwijs, arbeid en huisvesting. Bij kansarmoede is het beperkt worden geen eenmalige gebeurtenis maar gebeurt dit structureel en op verschillende terreinen, zowel het materiële als het immateriële. Er zijn meerdere indicatoren waaraan kansarmoede gemeten kan worden. Zes algemeen geaccepteerde indicatoren zijn maandinkomen, het opleidsingniveau van de ouders/verzorgers, de arbeidssituatie van de ouders, het type huisvesting , de stimulatie vanuit huis en de gezondheid (van het kind zelf maar ook van gezinsleden) (Kind en gezin, 2021)

Lage-inkomensgrens: De lage-inkomensgrens staat voor een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling. In 2019 lag de grens voor een alleenstaande op netto 1090 euro per maand. Voor een paar zonder kinderen was dat 1530 euro, en met twee minderjarige kinderen 2080 euro. Voor een eenoudergezin met twee minderjarige kinderen bedroeg de grens 1660 euro (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020)

Meritocratie: Een samenleving waarin mensen hun positie in de maatschappij toegewezen krijgen op basis van hun vaardigheden en hun geleverde inspanning. Merit betekent verdienste: in een meritocratie krijg je wat je verdient. Of, iets negatiever geformuleerd, in een meritocratie wordt er gediscrimineerd op basis van prestaties (Sandel, 2021)

Ministerie van OCW: Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zoals de naam al aangeeft gaat dit ministerie over zowel primair, voortgezet en hoger onderwijs. Onder het ministerie van OCW valt ook de Gelijke Kansen Alliantie, de hoofdpartner voor dit impacttraject. De Gelijke Kansen Alliantie houdt zich specifiek bezig met het creëeren van gelijkere kansen voor alle kinderen door middel van samenwerking met scholen, gemeentes en andere partners.

Normatief: Voorschrijvend. Gaat over hoe dingen zouden moeten zijn in plaats van hoe ze nu zijn en schept grenzen waarbinnen geaccepteerd gedrag en uitlatingen vallen (Encyclo.nl, z.d.)

Sociaal kapitaal: Omvat zowel je sociale netwerk als datgene wat je via je netwerk gedaan kunt krijgen. Hoe groter en diverser dit netwerk is, des te meer je eraan hebt in termen van kansen (de Haan & Baan, Yerkes, 2015)

Stereotype: Kenmerken van één persoon worden overgedragen op de hele groep. Hier kunnen bepaalde ongefundeerde verwachtingen over die persoon uit voortkomen. Voorbeelden van stereotypering is het idee dat Nederlanders gierig zijn, Belgen dom en Amerikanen lui en dat elke Nederlander, Belg of Amerikaan deze zelfde eigenschap toebedeeld krijgt. Stereotypen helpen ons de complexe wereld waarin we leven te versimpelen, maar kunnen ook negatieve gevolgen hebben, vooral als bepaalde groepen voortdurend geconfronteerd worden met een negatief stereotiep (Agirdag, 2020).

Taalmindmap:  Een mindmap waarmee leerlingen hun verschillende taalidentiteiten en taalbeheersing in kaart brengen (van Biesen & de Backer, 2020).

Taalschema: Een schema waar je als docent vragen over de taalidentiteit van het kind in beantwoord, uiteraard in directe samenspraak met het kind in kwestie (van Biesen & de Backer, 2020).

Taalportret: Een zelfgetekend portret waarop leerlingen hun verschillende taalidentiteiten laten zien door middel van het gebruiken van verschillende kleuren (van Biesen & de Backer, 2020).

Talensensibilisering:  Het op verschillende wijzen op school erkennen en waarderen van de thuis- en moedertalen van kinderen, wat positieve gevolgen heeft op sociaal, affectief en cognitief gebied (Groothoff, 2020)

Ouderbetrokkenheid: Beslaat ‘alle vormen van belangstellende betrokkenheid van de ouders bij de begeleiding van hun eigen kind, bij de groep waarin hun kind zit en bij de peuterspeelzaal of school als geheel en alle vormen van belangstellende betrokkenheid van de voorschoolse instelling of school bij de thuissituatie van het kind.’ Ouderbetrokkenheid werkt dus twee kanten op , zowel van de ouder naar school als andersom: een tweezijdige relatie Ouderbetrokkenheid gaat dus over meer dan het alleen betrekken van ouders als school of onderwijskracht zijnde. Het is, als het goed is, een gelijkwaardige partnerschap tussen leerkracht en ouder waarin het kind centraal staat (Lusse, 2019).

Ouderparticipatie: Vindt plaats wanneer ouders op formele en informele wijze “hand- en spandiensten” leveren aan de school of participeren in de ouder- of medezeggenschapsraad. Hierbij kan je denken aan het mede-organiseren van het jaarlijkse kerstfeest, voorleesouder zijn of helpen met het opruimen van de klas (Lusse, 2019).

Pedagogische driehoek: Drie verschillende leefwerelden waarbinnen kinderen gesocialiseerd worden. De pedagogische driehoek bestaat uit de school, thuis en straatcultuur. Bij sommige kinderen zitten er een sterke aansluiting tussen deze werelden, bij andere kinderen mist deze connectie (El Hadioui, 2011).

Racisme: “Een sorteersysteem dat groepen van mensen rangschikt in statusposities op bsiss van etnisch-raciale achtergrond. Racisme bepaalt dus welke etnische groepen welke machtsposities krijgen.” Belangrijk om hierbij te onthouden is dat racisme een politek-ideologisch systeem is. Dit is groter en breder dan individuele gedachten of handelingen, en ook meer dan steoretypen, vooroordelen en discriminatie (Agirdag, 2020, p.62-63)

Samenwerking school-ouders: Betreft de communicatie tussen ouders en school. Deze communicatie kan gaan over de voortgang van het kind op school, maar ook over wat er op school gebeurt of staat te gebeuren (Lusse, 2019).

Scaffolding:" Bij scaffolding biedt de leerkracht ondersteuning die steeds net boven het niveau van een leerling ligt, waardoor de leerling een hoger niveau kan bereiken. Scaffolding is dus een combinatie van het initieel aanbieden van veel ondersteuning aan leerlingen en het geleidelijk afbouwen daarvan naarmate hun expertise toeneemt.” (wij-leren, z.d.)

Schaduwonderwijs: Overkoepelende term voor alle aanvullende onderwijsactiviteiten waar ouders zelf voor betalen. Denk hierbij aan bijlessen, huiswerkbegeleiding en Cito- en examentrainingen (Elffers & Jansen, 2019).

Sociaaleconomische status: De mate waarin personen, gezinnen, huishoudens en geografische gebieden de mogelijkheid hebben om maatschappelijk gewaardeerde goederen te creëren of consumeren. Het gaat hier dus om de positie in de samenleving, die afhankelijk is van de mate waarin je erin in slaagt om bepaalde goederen te creëeren of diensten aan te bieden waaraan je geld kunt verdienen (Miech & Hauser, 2001)

Sociale achtergrond: Gaat over iemands thuissituatie en het milieu waar iemand uitkomt. Uit iemands sociale achtergrond komt het type sociaal kapitaal voort dat ze bezitten (Agirdag, 2020)

Socialisatie: Al op jonge leeftijd nemen we onbewust dingen over van de mensen om ons heen, dit wordt socialisatie genoemd. Socialisatie gebeurt op verschillende manieren en binnen verschillende leefwerelden. Voorbeelden van dingen die we op jonge leeftijd meekrijgen vanuit onze socialisatie zijn taalgebruik, verwachtingen, gedrag, normen, waarden, ambities en doelstellingen (El Hadioui, 2011)

Taalongelijkheid: Vindt plaats als verschillen in taalbeheersing en prestaties op het gebied van taal zich structureel aftekenen langs de lijn van sociaaleconomische status of sociale, culturele en etnische achtergrond. Taalongelijkheid vertaalt zich, vanwege het belang van taalbeheersing, vaak in kansenongelijkheid (Agirdag, 2020)

Thuisbetrokkenheid: Thuisbetrokkenheid bestaat uit twee dimensies. Enerzijds gaat het over de activiteiten die ouders thuis met hun kinderen ondernemen, zoals praten en spelen met het kind, begeleiding bij het leren, educatieve spelletjes, verhalen voorlezen en zingen. Anderzijds gaat het over de mate waarin ouders hun kinderen ondersteunen: vinden ze school belangrijk of zijn ze minder geïnteresseerd? En zijn de verwachtingen hoog of laag? (de Vries, 2021)

Uitgebreide code (taal): In zijn werk maakte de socioloog Bernstein onderscheid tussen twee  soorten taalcodes. Eén van de twee is de uitgebreide code. De uitgebreide code wordt gebruikt als er geen gedeeld referentiekader is. Bijvoorbeeld als je elkaar minder goed kent en je dus geen beroep kunt doen op gedeelde ervaringen of als er bepaalde abstracte concepten moeten worden uitgelegd (denk hierbij bijvoorbeeld aan ‘kapitalisme' of ‘oorlog’). Op school is de uitgebreide code dominant (Bernstein, 1971)

Vooroordeel (ook wel prejudice/bias): “De attitudes tegenover de leden van sociale groepen. In tegenstelling tot stereotypen zijn niet louter [alleen maar] beschrijven, maar houden ze een houding/attidude in ten aanzien van de groep zelfs, zoals een voorkeur hebben voor het niet vertrouwen of niet aangenaam vinden van deze mensen. Vooroordelen kunnen getriggerd worden door stereotypen.” (Agirdag, 2020, p. 53)

Verborgen kennis- en taalbronnen: Kennis- en taalbronnen worden gedefinieerd als het totaalpakket van vaardigheden en culturele gebruiken die het gezinnen mogelijk maakt om te functioneren binnen een bepaalde sociaal-culturele context. Deze kennisbronnen kunnen meertaligheid of wiskundige vaardigheden zijn, maar ook koken, groenten verbouwen, de Koran reciteren of klussen. Niet al deze kennisbronnen worden standaard aangeboord op school en/of binnen het gewone lesprogramma, vandaar dat sommige kennis- en taalbronnen verborgen blijven. ('t Gilde en Volman, 2020)

Vrijheid van onderwijs: "In artikel 23 van de Nederlandse grondwet is bepaald dat er vrijheid van onderwijs is. Dat wil zeggen dat iedereen een school mag oprichten die past bij zijn religieuze, onderwijskundige of levensbeschouwelijke visie. In dat geval spreken we over bijzonder onderwijs. Sinds 1917 bekostigt de overheid zowel het openbaar onderwijs als het bijzonder onderwijs, daarmee kwam er een einde aan de jarenlange schoolstrijd. De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt bij alle scholen de onderwijskwaliteit, maar mag zich niet bemoeien met aspecten op het gebied van religie of levensbeschouwing.” (wij-leren.nl, z.d.)

Zelf-effectiviteit: Het gevoel dat je een specifiek doel kunt bereiken of een specifieke taak kunt voltooien (Bandura, 1977)