Armoede

Leestijd 27 minuten • Laatst bijgewerkt op

Wat is er aan de hand?


Nederland is één van de meest welvarende landen ter wereld. Een deel van de bevolking profiteert hier enorm van. Tegelijkertijd is er ook een aanzienlijk deel dat niet de vruchten plukt van die welvaart. Nederland heeft namelijk, ondanks al onze welvaart, een armoedeprobleem. Er zijn er mensen die niet rond kunnen komen, zelfs niet als ze werk hebben. Het is niet voor niets dat de makers van de serie Klassen, Sarah Sylbing en Ester Gould, zich al sinds het begin van hun carrière vastbijten in het fenomeen Hollandse armoede. We willen graag geloven dat Nederland een gelijk land is, maar in de praktijk valt dit tegen.

In Klassen zien we het Nederlandse armoedeprobleem terug in de vorm van echte mensen en kinderen. We zien hoe Anyssa na de pauze terug op school komt zonder te hebben geluncht en hoe ze haar kleding van de kledingbank krijgt. We zien Gianny die in een huis woont waar nauwelijks spullen staan. Maar we zien ook hoe school kan helpen. Anyssa is opgelucht als juf Astrid het met de klas op strenge toon heeft gehad over dat er niks gênants is aan naar de voedsel- en kledingbank gaan. “Niet iedereen is met een gouden paplepel in de mond geboren”, zegt juf Astrid. En dat weet Anyssa maar al te goed.

Armoede is geen gemakkelijk onderwerp om over te praten. Er hangt veel schaamte omheen. Ouders en kinderen schamen zich voor hun positie in de maatschappij, leerkrachten zien het niet of durven er misschien niet over te beginnen. Maar juist waar mensen armoede graag verborgen willen houden, heeft onderwijs een belangrijke rol. Want pas wanneer het bespreekbaar is, kan er gehandeld worden.

In dit hoofdstuk gaan we dieper in op het Nederlandse armoedeprobleem. Hoe ziet armoede eruit in Nederland? En wat kan je als school doen om armoede te signaleren, bespreekbaar te maken en te bestrijden?

Diamant border

Feiten en cijfers

Hoewel het aantal kinderen dat opgroeit in armoede vanaf 2012 jaarlijks daalde, groeide in 2019 alsnog een op de dertien kinderen op onder de

De lage-inkomensgrens staat voor een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling. In 2019 lag de grens voor een alleenstaande op netto 1090 euro per maand. Voor een paar zonder kinderen was dat 1530 euro, en met twee minderjarige kinderen 2080 euro. Voor een eenoudergezin met twee minderjarige kinderen bedroeg de grens 1660 euro.

Dit staat gelijk aan ongeveer 250.000 kinderen. Daarnaast leven er 100.00 kinderen in een gezin met een langdurig laag inkomen. Ruim 350.000 kinderen hebben dus in hun dagelijks leven te maken met een vorm van armoede. Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond en kinderen die opgroeien in een eenoudergezin zijn oververtegenwoordigd in deze groep (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019). Van de kinderen die onder de armoedegrens leven groeit maar liefst een derde op in een gezin waarin in ieder geval één ouder werk heeft. Dit is iets om tot je te laten doordringen: werken is in Nederland geen garantie op rondkomen (Huygen et al., 2020). Verreweg het grootste deel van de kinderen (twee derde) die opgroeit in armoede komt uit gezinnen waar de ouders afhankelijk zijn van een uitkering of een andere vorm van financiële bijstand vanuit de overheid (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019). Iets om mee te nemen over deze groep ouders met een bijstandsuitkering is dat er zoiets bestaat als een armoedeval: een situatie waarin werken niet loont omdat je erop achteruit gaat wanneer je dit doet, vaak omdat je meer verliest aan toeslagen en inkomensondersteuning dan je extra kunt verdienen. Er zijn dus ouders die dolgraag zouden willen werken, maar dit zich, paradoxaal genoeg, niet kunnen veroorloven.

Armoede na corona

De bovengenoemde cijfers dateren uit 2019 en stammen dus van voor de coronacrisis stammen, dat is belangrijk om je te realiseren. Het is nu nog lastig om de precieze impact ervan te bepalen, maar er zijn meerdere indicatoren die erop wijzen dat de verschillen tussen arm en rijk vergroot worden. Juist (kans)arme kinderen zijn het kind van de rekening van de scholensluiting, zo is gebleken (Onderwijsraad, 2020). Denk hierbij aan Vera, die het jammer vindt dat de Cito eindtoets niet doorgaat omdat dat haar enige kans was geweest om zich nog een keer te bewijzen. Al was de Citotoets voor haar waarschijnlijk ook op een erg ongunstig moment gekomen. Voor Vera was het thuis namelijk haast onmogelijk concentreren door een gebrek aan ruimte en begeleiding. Voor haar stond de coronatijd praktisch gelijk aan geen onderwijs krijgen. Bij Viggo daarentegen, was het online onderwijs goed geregeld. Hij heeft een mooie grote kamer om te kunnen werken en zijn ouders begeleiden hem bij zijn schoolwerk. Zo vergrootte corona de reeds bestaande kloof tussen rijkere en arme kinderen in termen van onderwijskansen.

Dat er inderdaad een groeiende groep armen in de Nederlandse samenleving is, wordt bevestigd door cijfers van de voedselbank. In 2020 steeg het aantal mensen dat geholpen wordt door de voedselbank met 7,1% naar maar liefst 160.500 mensen (Voedselbanken.nl, 2021). Kwetsbare groepen in de samenleving, zoals eenoudergezinnen en lager opgeleiden, worden relatief harder getroffen door verlies aan werkgelegenheid. Dit komt doordat ze vaker als flexwerker werken, werkzaan zijn in sectoren die harder getroffen worden door de coronacrisis (denk aan horeca, sierteelt, detailhandel) en doordat ze minder spaargeld hebben om uit te putten (Olsthoorn et al., 2020). Het niet kunnen betalen van een rekening ligt voor deze groepen altijd op de loer en dat kan snel van kwaad tot erger gaan: één niet betaalde rekening kan resulteren in enorme schulden door een opstapeling van incassokosten en boetes. Ze belanden in een vicieuze cirkel, waar vrijwel niemand zelf uitkomt als er niemand ingrijpt of waar überhaupt niet over gepraat wordt.

Onderschatting van armoedeproblematiek

Hoewel de cijfers duidelijk laten zien dat er wel degelijk armoede is in Nederland, zijn Nederlanders over het algemeen geneigd het aantal armen te onderschatten. In een peiling van SIRE gaf maar liefst 77% van de ondervraagden aan geen kinderen te kennen die opgroeien in armoede (SIRE, 2020). En dit is, behalve voor een selecte bevoorrechte groep, statistisch gezien onmogelijk.

De onderschatting van armoedeproblematiek wordt, deels, in stand gehouden door de meritocratische gedachte dat iedereen in Nederland kan worden wat hij of zij wil, als je maar hard genoeg werkt. Maatschappelijk falen staat in deze gedachtegang gelijk aan persoonlijk falen: “Dan had je maar beter je best moeten doen” (Bol, 2020). Armoede is volgens deze gedachtegang de schuld van de mensen in kwestie zelf. Hierdoor ontstaat er veel schaamte rondom armoede. Het is schaamtevol als door jouw toedoen je er zelf voor hebt gezorgd dat je geen fatsoenlijk huis kunt kopen voor je gezin en het volledig bij jou ligt dat je kinderen geen nieuwe kleren kunnen kopen. De massale onderschatting van armoedeproblematiek laat zien dat er niet voldoende over gesproken wordt, niet door de mensen die eronder lijden, maar ook niet door de mensen die er dagelijks mee te maken hebben.

Bovendien is, zoals blijkt uit Klassen, het idee dat iedereen kan worden wie hij of zij wil een utopie, ook in Nederland. Sociaaleconomische status speelt een cruciale rol in het bepalen van de kansen van kinderen. Dus, hoog tijd om van die gedachte af te stappen.

Gevolgen van armoede

De invloed van armoede op de ontwikkeling van kinderen is allesomvattend: armoede kan de sociale, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling negatief beïnvloeden. Opgroeien in armoede staat regelmatig gelijk aan het hebben van materiële achterstanden. Kinderen hebben minder eten thuis, wonen in gebrekkige huizen, kunnen niet op vakantie of naar het museum, hebben geen boeken, laptop of speelgoed thuis. Kinderen die in armoede opgroeien hebben vaak letterlijk en figuurlijk een kleine wereld en het is voor hun ouders niet gemakkelijk om die te vergroten als er weinig middelen beschikbaar zijn (Pascoe et al., 2016).

Naast materiële achterstanden kampen kinderen die opgroeien in armoede regelmatig met stress. In armoede opgroeien betekent in dit geval niet alleen een tekort aan financiële middelen of een materiële achterstand thuis, maar ook opgroeien met de stress van arm zijn (Lusse & Kassenberg, 2020). Dat kan de sociale, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling van een kind negatief beïnvloeden.

Opgroeien in armoede kan dus de ontwikkeling van kinderen beïnvloeden. Met nadruk op kan, omdat de invloed van armoede op de ontwikkeling van het kind altijd ook nog wordt beïnvloed door andere externe factoren, zoals de kwaliteit van zorg van de ouders of andere volwassenen in de nabije omgeving (Brooks-Gunn & Duncan, 1997). Er zijn wel degelijk ouders die erin slagen om goed voor hun kinderen te zorgen en een stabiele thuisomgeving te creëren, ook in armoede.

Negatieve stressfactoren

De negatieve invloed van stress op de ontwikkeling van een kind bestaat niet alleen uit de stress van de kinderen zelf, maar ook uit de stress die ouders ervaren doordat er schaarste is. Armoede kan voor conflicten tussen volwassenen zorgen, voor angstige en depressieve gevoelens en zelfs voor agressief en conflictueus gedrag. Kinderen in armoede lopen dus meer risico om op te groeien in een instabiele thuissituatie (Watson & McLanahan, 2011). En ook buitenshuis lopen kinderen die in armoede opgroeien het risico om blootgesteld te worden aan stressfactoren. In armere buurten is de kans groter dat er sprake is van geluidsoverlast, criminaliteit en is er minder gemakkelijk toegang tot kinderopvang of scholing van hoge kwaliteit (Brooks-Gunn & Duncan, 1997). Het is wel belangrijk om hier nuance in aan te brengen. Niet alle arme kinderen groeien op in onveilige thuissituaties of buurten, en niet elke arme buurt is onveilig of slecht voor kinderen om in op te groeien. Er zijn ouders en buurten die er met weinig in slagen om ontzettend veel te geven. Maar het risico op al deze negatieve stressoren groeit naarmate de armoede toeneemt.

In de wetenschapswereld bestaat er geen twijfel over dat stress funest kan zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Gedurende de eerste jaren van je leven ondergaat het brein de snelste ontwikkeling. Tijdens deze periode staat je brein dus het meest ‘open' voor de invloed van externe gebeurtenissen, in zowel positieve als negatieve zin. Het ervaren van kortdurende stress in deze periode is niet per definitie slecht. Het is belangrijk voor kinderen om te leren om te gaan met nare gebeurtenissen en de stress die hierbij hoort. Indien kinderen hierin bijgestaan en begeleid worden door vertrouwde volwassenen kan kortdurende stress een positieve uitwerking hebben op kinderen. Ze worden weerbaar en kunnen later in hun leven beter omgaan met tegenslagen.

Toxic stress

Het effect van langdurige stress vanwege een factor als armoede is echter compleet anders dan een kortdurend stressmoment. Door langdurige en hevige blootstelling aan stressfactoren wordt er voortdurend een teveel aan stresshormonen aangemaakt en dit heeft negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van het brein. In de wetenschapswereld wordt dit fenomeen toxic stress genoemd: stress die letterlijk giftig is voor kinderen. Dat toxic stress een significante rol speelt in de ontwikkeling van kinderen die opgroeien in armoede is wetenschappelijk aangetoond. Recent Brits onderzoek laat zien dat kinderen die op of onder de armoedegrens opgroeien 8 tot 9% minder ontwikkeld brein hebben dan gemiddeld (Hair et al., 2015).

Het deel van de hersenen dat het sterkst getroffen wordt door deze ontwikkeling is het deel dat over de uitvoerende functies en over zelfcontrole gaat (Blair & Cybele Reaver, 2018). Deze delen van het brein zijn essentieel voor het kunnen onthouden, plannen, problemen oplossen en het maken van weloverwogen beslissingen. Doordat deze gebieden minder ontwikkeld zijn, kunnen kinderen die blootgesteld worden aan toxic stress moeite hebben met het reguleren van hun emoties, zich concentreren, besluitvaardig zijn of het controleren van hun impulsen (Noble et al., 2015). Dit kan zich vertalen naar sociaal afwijkend of zelfs sociaal onwenselijk gedrag. Het gedrag is aan de buitenkant zichtbaar. Daardoor kan dit makkelijk geïnterpreteerd worden als slechte opvoeding of een moeilijk karakter, maar de oorzaak ervan ligt in sommige gevallen dieper in het brein.

Indien er niet voor deze ontwikkeling gecompenseerd wordt, houden kinderen ook later in hun leven hier last van. Dit verklaart ook waarom ouders die zelf zijn opgegroeid in armoede ook minder goed verstandige (financiële) beslissingen kunnen nemen, minder geduld en minder aandacht voor hun kinderen hebben en vaker een opvoedstijl met bijvoorbeeld een nadruk op straffen hanteren (Lusse & Kassenberg, 2020).

De psychologie van schaarste

Alle gevallen van schaarste, of het nou tijd, liefde of geld is, beïnvloeden ons denken en handelen. Schaarste tast onze mentale vermogens aan, tijdelijk of soms voor altijd. Financiële schaarste nog wel het meest. In de eerste instantie zitten er juist voordelen aan financiële schaarste verbonden. Dit klinkt gek, maar is best logisch. Doordat financiële schaarste alle mentale aandacht opeist, worden mensen alerter, minder achteloos, handelen ze in bepaalde situaties beter, zijn ze efficiënter en knopen ze op magische wijze elke maand de touwtjes weer aan elkaar. Maar dat alle aandacht opgeëist wordt door de financiële schaarste zorgt tegelijkertijd voor tunnelvisie. Hierdoor worden langetermijndoelstellingen en overwegingen verwaarloosd en blijken mensen minder goed in staat om te plannen, vast te houden aan doelen, geld te sparen en verleidingen te weerstaan. Hetzelfde wat er door toxic stress gebeurt, maar dan tijdelijk. De alertheid, efficiëntie en doelmatigheid die opgewerkt worden door schaarste verworden gemakkelijk tot kortzichtigheid, impulsiviteit, afwezigheid en onzorgvuldigheid.

Arm zijn zorgt er dus voor dat mensen juist die vaardigheden verliezen die ze nodig hebben om zich uit armoede te werken. Op die manier houdt schaarste zichzelf in stand, en werkt armoede nog meer armoede in de hand (Mullainathan & Shafir, 2013).

Rutger Bregman behandelt ditzelfde fenomeen in zijn boek over het basisinkomen en trekt een soortgelijke conclusie: het voornaamste gebrek van arme mensen is een gebrek aan geld (Bregman, 2014). Dus niet een gebrek aan veerkracht, zin om te werken, intelligentie of levenslust. Het negatieve frame waarin armoede wordt verbonden aan zwakte is schadelijk voor mensen omdat het stigmatiserend werkt. Er zit al genoeg schuld en schaamte verbonden aan opgroeien in armoede, (voor)oordelen als luiheid, domheid en losbandigheid dragen daar alleen maar aan bij. Daarbij gaan mensen misschien zelf ook geloven dat ze lui en dom zijn. En geloven dat je lui en dom bent is niet goed voor het werkethos. Verwachtingen kunnen waarheid worden.

Gelukkig is er ook goed nieuws. Allereerste is ons brein ontzettend flexibel. De situatie die ontstaat door toxic stress bij kinderen die opgroeien in armoede is niet permanent en kan omgekeerd worden door blootstelling aan positieve externe factoren.

Ten tweede is de gedachte dat ieder mens in potentie gevangen kan komen te zitten in armoede natuurlijk niet prettig, maar het is óók hoopgevend: elk mens kan potentieel arm worden, maar net zo goed uit de armoede ontsnappen. Als hij of zij bevrijdt wordt van schaarste, ten minste. Dit idee kan bijdragen aan een nieuw beeld van armoede, waarin er óók aandacht besteed wordt aan de veerkracht, kracht en het doorzettingsvermogen van mensen die in armoede opgroeien en leven.

Tot slot gelden deze negatieve gevolgen gelukkig niet voor ieder kind dat opgroeit in armoede. Niet elk kind lijdt onder overmatige stress en heeft daardoor minder zelfbeheersing en -regulatie. Door dat te beweren scheer je alle kinderen die opgroeien in armoede over één kam en hiermee doe je zowel kinderen als hun ouders tekort. Uit onderzoek van de Kinderombudsman bleek dat de meeste kinderen die opgroeien in armoede ook positieve gevolgen van de situatie ondervinden. De helft gaf aan dat ze met het gezin naar elkaar toe waren gegroeid en dat ze door de situatie beter met geld leren omgaan en geld meer op waarde schatten (De kinderombudsman & het Verwey-Jonker instituut, 2018).

Hoe we het ook wenden of keren, de realiteit is dat er ook de komende jaren veel kinderen in armoede zullen opgroeien. En hier moeten wij, als maatschappij en als onderwijssector, op de best mogelijke manier mee omgaan.

Wat is de rol van het onderwijs hierin?

Het is uiteraard niet aan het onderwijs om het Nederlandse armoedeprobleem op te lossen. Alle kinderen uit de klas voorzien van genoeg inkomen en een prettige thuissituatie is simpelweg niet mogelijk om alleen voor elkaar te krijgen. Dit zie je ook bij meester Thijs. Hij zou het liefst alle kinderen uit zijn klas meenemen op een ontspannen vakantie naar Frankrijk. “Dat zou ze zo goed doen”, verzucht hij. En ook Juf Astrid en Jolanda besteden extra tijd en aandacht aan een kind dat het minder goed heeft thuis, door het geven van spullen en het voeren van gesprekken.

Maar ook hier zijn er grenzen. Juf Jolanda schenkt Anyssa haar oude laptop en geeft haar bij vertrek naar de middelbare school allerlei schoolspullen mee, maar ze kan niet voorkomen dat het vaak onrustig is by Anyssa thuis. Thijs kan niet alle kinderen uit zijn klas meenemen op vakantie. De kinderen die in armoede leven zijn niet eerlijk verdeeld over alle Nederlandse klassen maar vaak gecentreerd op een aantal scholen (Lusse & Kassenberg, 2020). En zeg nou zelf: als je een hele klas vol Anyssa's en Gianny’s hebt, kan je ze niet allemaal vanuit je eigen portemonnee van schoolspullen voorzien of meenemen op vakantie naar Frankrijk.

Toch is school is wel belangrijk. Op de school van Gianny staat elke dag een doos met fruit waar leerlingen van kunnen pakken, juf Astrid en juf Jolanda doen alles om het taboe op armoede te doorbreken en meester Thijs is elke dag opnieuw alert op signalen die wijzen op armoede.

Mogelijkheid tot compenseren voor de thuissituatie

Een gebrek aan financiële middelen kan niet direct opgelost worden door het onderwijs, maar onderwijs kan het verschil maken. Zoals eerder benoemd is het brein van kinderen ontzettend flexibel en kan blootstelling aan positieve externe factoren compenseren voor de negatieve stressfactoren waaraan een kind thuis of op straat wordt blootgesteld. Een veilige schoolomgeving, een prettig klasklimaat en vooral een vertrouwensband tussen leerkracht en leerling kunnen een kind vooruit helpen (Jensen, 2016).

Daarnaast is kwalitatief goed onderwijs de sleutel om armoede terug te dringen (Colonne, 2018). Niet direct, maar zeker op de lange termijn. Je ziet het terug in Klassen wanneer een Nederlandse delegatie scholen in Londen bezoekt. Door kwalitatief hoogstaand onderwijs kunnen de Londense kinderen klimmen in de maatschappij, waar ook ze vandaan komen. Uiteraard gebeurt dit niet alleen in Engeland, in Nederland zijn er ook voldoende voorbeelden van scholen die kwalitatief hoogstaand onderwijs bieden, ook als een groot gedeelte van de leerlingen in armoede opgroeit. Op deze school kunnen kinderen zich sociaal, emotioneel en cognitief ontwikkelen en ze kunnen verschillende soorten typen cultureel en sociaal kapitaal verwerven. Kortom: als er iets is waar kinderen die in armoede opgroeien bij gebaat zijn, is het goed onderwijs en het hebben van een veilig gevoel op school.

Houding ten opzichte van armoede

In het vorige gedeelte van het hoofdstuk wordt een hele rits aan negatieve gevolgen van armoede opgesomd, waaronder het hebben van minder ontwikkelde hersenen. Dit is belangrijke informatie voor onderwijskrachten die zelf nooit in aanraking zijn gekomen met armoede. Het toont namelijk hoe allesomvattend armoede is en hoe groot de problemen die eruit voortvloeien kunnen zijn. Misschien begrijp je je leerlingen door deze informatie beter dan je eerst deed.

Maar die bewustwording kan ook negatieve effecten hebben. De achterliggende gedachte bij docenten kan veranderen van “ik heb begrip voor het impulsieve gedrag want het past bij opgroeien in armoede” naar “met dit kind wordt het toch niks want hij of zij heeft minder ontwikkelde hersens doordat hij of zij arm is”, of, “met zo’n thuissituatie wordt het toch niks.” Bij het eerste idee is het kind gebaat, bij het tweede natuurlijk niet, zeker niet omdat kinderen die in armoede opgroeien zich vaak al gestigmatiseerd voelen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019).

Het is als leraar dus zaak om de gevolgen van armoede op de ontwikkeling te erkennen, zonder daarbij te vervallen in een houding die alleen gericht is op gebreken. Dit zal soms lastig zijn, want concentratie- en gedragsproblematiek kunnen voor zowel leerkracht als de rest van de klas storend zijn. Probeer met compassie naar het kind te kijken en neem de kennis die je hebt over de invloed van armoede daarin mee: wat zou jij willen als jij in de schoenen van deze leerling had gestaan? Wat zou jij nodig hebben van jouw leerkracht? En in hoeverre kun je dit geven?

Herkennen van (verborgen) armoede is lastig

Armoede is niet (meteen) altijd zichtbaar aan kinderen of hun ouders. Er hangt schaamte rondom armoede en ouders en kinderen kunnen ver gaan om het te verbergen.

Docenten en schoolleiders hebben de unieke mogelijkheid om kinderen dagelijks te observeren, hun ouders te spreken en af en toe zelfs letterlijk achter de voordeur te komen door een huisbezoek. Hierdoor kunnen zij armoede signaleren, zelfs in situaties waarin er hard geprobeerd wordt om het te verbergen (op den Kamp, van Gyes, & Desmedt, 2007). De signalerende rol van het onderwijs is cruciaal omdat er pas na het signaleren vervolgstappen genomen kunnen worden, zoals het bespreekbaar maken en het betrekken van de juiste organisaties.

Ook voor leerkrachten op scholen waar voornamelijk kinderen uit rijkere milieus zitten kan het signaleren van armoede ingewikkeld zijn. Misschien zijn docenten op 'welgesteldere scholen' zich minder bewust van de omvang van de armoedeproblematiek in Nederland, wordt er bijna niet over armoede gepraat door collega's onderling of zijn ze niet zo alert op de signalen, gewoon omdat ze het niet verwachten op school. Maar ook, of juist, op deze scholen is het belangrijk. Leerlingen kunnen zich onbegrepen voelen omdat ze de enige zijn of lijken te zijn en docenten hebben op hun beurt weer minder ervaring met het op een passende manier omgaan met armoedeproblematiek, omdat het in hun klaslokalen minder voorkomt (Lusse & Kassenberg, 2020).

Het taboe doorbreken

Naast signaleren is het bespreekbaar maken van armoede essentieel. Het bespreken van armoede is een delicate kwestie, vooral omdat niet ieder kind of ouder dit op dezelfde manier prettig vindt. Er is geen one size fits all aanpak. Sommige kinderen, zo geeft onderzoek van de Kinderombudsman aan, hopen dat hun klasgenoten er nooit achter komen dat ze arm zijn en gebruikmaken van de voedsel- en kledingbank, terwijl anderen kinderen het als bevrijdend ervaren als erover gesproken wordt in de klas. De manier waarop het besproken wordt is allesbepalend voor het effect. Als het onderwerp armoede voor de kinderen en ouders in kwestie op een negatieve manier wordt aangehaald, is de kans groot dat ze zich verder in een hokje gestopt voelen (de Kinderombudsman & het Verwey-Jonker instituut, 2018).

Het web van hulporganisaties

Het zal je waarschijnlijk niet ontgaan zijn, maar er zijn ontzettend veel verschillende organisaties op het gebied van armoede en de gevolgen hiervan. Zeker ouders die in armoede leven en weinig tijd en mentale ruimte hebben, zullen verstrikt raken in het web van al deze verschillende organisaties. Hulp vragen is überhaupt al lastig, maar weten waar je moet zijn en welke formulieren je moet invullen om in aanmerking te komen voor deze hulp is een volgende stap.

Sommige ouders kunnen niet lezen of schrijven, beheersen de Nederlandse taal niet of zijn niet bekend met het gebruiken van internet. Hoe graag Anyssa’s opa het ook zou willen, het is voor hem praktisch gezien onmogelijk om zelfstandig hulpaanvragen in te dienen vanwege zijn laaggeletterdheid. Gelukkig hebben we tijdens het draaien van Klassen gezien dat school dit gat kan dichten. Bij Anyssa speelden intern begeleiders hier een grote rol in: zij zorgden ervoor dat ze geen vrijwillige schoolbijdrage hoefde te betalen en toch aan alle schoolactiviteiten mee kon doen. Zo zie je maar: om toegang te krijgen tot de juiste hulp hebben sommige leerlingen begeleiding van mensen van buitenaf nodig die hen kennen, zoals bijvoorbeeld onderwijskrachten. Maar, dan moet de school wel weten hoe het web aan hulporganisaties functioneert. De school heeft natuurlijk het voordeel dat zij de teksten begrijpen, maar ook voor hen kan het ingewikkeld zijn om de weg te vinden naar de juiste instanties. Zeker nu de zorg decentraal is georganiseerd, het zorgaanbod niet meegroeit met de vraag en er daardoor meer onduidelijkheid is gekomen over welke hulp er beschikbaar is op welke termijn (van Yperen, van der Maat & Prakken, 2019).

Daarbij kan het spannend zijn om een kind door te verwijzen naar externe organisaties. Je bouwt als docent een vertrouwensband met een kind en ouders op die je niet wilt beschamen door het kind met een niet goed functionerende hulporganisatie in contact te brengen. Het hebben van vertrouwen in de verschillende organisaties die er zijn voor een kind (en voor de ouders) is dus belangrijk, ook al is dit gevoelsmatig lastig. Om - net als juf Jolanda bij Anyssa - een steun te zijn, kun je niet alles alleen dragen. Het creëren van het juiste netwerk om de school heen op het gebied van armoedebestrijding is essentieel.

De hoogte van schoolkosten

Tenslotte zijn er ook gevallen waarin het onderwijs - vaak onbewust en zonder slechte bedoelingen - bijdraagt aan de armoedeproblematiek die speelt bij kinderen en ouders.

Vrijwillige ouderbijdrage

Neem bijvoorbeeld de vrijwillige ouderbijdrage. Dit is een vrijwillige financiële bijdrage van ouders aan de school van hun kind die besteed wordt aan extra activiteiten buiten het gewone lesprogramma om. Bijvoorbeeld een schoolreisje, kerstdiner of sportdag. Gebleken is dat deze vrijwillige ouderbijdrage kansenongelijkheid vergroot, voornamelijk omdat ouders deze helemaal niet als vrijwillig ervaren. Dat heeft verschillende gevolgen. Ten eerste werkt het de scholensegregatie in de hand. Omdat de hoogte van de ouderbijdrage sterk verschilt per school kiezen sommige ouders ervoor om hun kind niet naar een school te sturen met een hoge ouderbijdrage (VO-Raad, 2020). Daardoor ontstaan er scholen met overwegend rijkere ouders en scholen met overwegend armere ouders. Dit leidt, indirect,  tot een groter aantal scholen waarop relatief veel leerlingen zitten die opgroeien in armoede. Deze centralisering van problematiek is zwaar voor het schoolteam en heeft een negatieve invloed op de prestaties van leerlingen.

Daarnaast komt het voor dat leerlingen die schoolactiviteiten niet kunnen betalen niet meedoen, vaak zonder dat de school zich hiervan bewust is. In een poging onder de ouderbijdrage uit te komen, kan het zo zij dat ouders smoesjes verzinnen zoals “mijn kind heeft heimwee” of “we hebben dan iets anders”. Of het nou bedekt wordt met een smoesje of niet, het is voor de kinderen in kwestie natuurlijk een nare ervaring. Het draagt bij aan sociale uitsluiting en het gevoel anders te zijn dan klasgenoten (de Kinderombudsman & het Verwey-Jonker instituut, 2018).

Op 1 augustus 2021 is er een nieuwe wet ingegaan die bepaalt dat kinderen nooit meer uitgesloten mogen worden van schoolactiviteiten (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2021). Elk kind moet mee kunnen doen aan schoolactiviteiten, zowel als het gaat om kortdurende extracurriculaire activiteiten (introductiekamp, sportdag, kerstviering) als om langdurige extracurriculaire activiteiten (de debatclub, huiswerkbegeleiding, tweetalig onderwijs, schoolreizen). Scholen zijn per volgend schooljaar wettelijk verplicht om alle leerlingen te laten participeren. Een goede ontwikkeling, natuurlijk, maar hierbij is het wel belangrijk om twee dingen te onthouden. Allereerst zullen veel ouders niet op de hoogte zijn van de nieuwe wet. Dat betekent dat er goed gecommuniceerd moet worden dat de bijdrage die vanuit school gevraagd wordt daadwerkelijk vrijwillig is en dat ouders waarvan je vermoedt dat zij dit niet weten er extra op geattendeerd worden. Dit moet beter dan het nu gebeurt; wellicht is alleen het woord vrijwillig aan ouderbijdrage toevoegen niet genoeg. Daarnaast heeft het ook een ander - minder positief - gevolg, namelijk dat de budgetten van scholen om extra activiteiten te organiseren zullen afnemen of op een andere manier gefinancierd moet worden. Het zou zonde zijn als dit ten koste gaat van extra buitenschoolse activiteiten, aangezien  het vergroten van de wereld van kinderen uit lagere sociaal economische milieus zo belangrijk is.

Overige kostenposten

Schoolkosten houden helaas niet op bij de vrijwillige ouderbijdrage. Er zijn veel meer dingen die ouders voor hun kinderen moeten financieren. Denk aan atlassen, woordenboeken, agenda’s, grafische rekenmachines (en dan ook nog eens in de zoveel jaar een nieuwe), sportkleding, gereedschap en praktijkkleding. Dan zijn er nog de meer verborgen kosten, zoals het maken van een surprise, het trakteren op je verjaardag, fruit meenemen naar school en een fiets of het OV om naar school te komen. En, ten slotte, de steeds vaker verplichte laptop of een tablet.

Scholen zijn sinds de ingang van de nieuwe wet verplicht om een volwaardig alternatief te bieden als ouders elektronische hulpmiddelen zoals een laptop of tablet niet kunnen aanschaffen. Maar niet alle ouders zullen dit weten of zelfs durven of willen vragen. Alle andere besproken kosten blijven wettelijk gezien de verantwoordelijkheid van ouders, maar er zijn gezinnen waarin hier simpelweg te weinig geld voor is. Kinderen kunnen hier het slachtoffer van worden, zeker als dit niet of onjuist wordt gesignaleerd.

Misschien maakt een leerling zijn topografiehuiswerk wel nooit omdat er geen Bosatlas thuis is, of kan het wiskundehuiswerk niet gemaakt worden omdat de grafische rekenmachine ontbreekt. Als schoolteam moet er nagedacht worden over oplossingen voor gevallen waarin het geld er niet is. En daarbij kan het niet zo zijn dat - zoals bij juf Jolanda en Anyssa, alle middelen uit eigen zak van de juf of meester moeten komen. Het is een probleem dat school-, of het liefst natuurlijk maatschappijbreed, moet worden opgelost.

Wat kan het onderwijs doen?

Er zijn de afgelopen jaren talloze handreikingen, toolkits en checklists over armoede verschenen. Het is zonde om het wiel opnieuw uit te vinden. Om die reden zijn oplossingen bij dit thema korter dan bij andere thema's en wordt er vaak doorverwezen naar bestaand materiaal.

Bewustzijn van de oorzaken én gevolgen van armoede

Alles begint bij dat je je als docent of schoolleider realiseert wat armoede is en wat de gevolgen kunnen zijn. Want hoewel er dus een grote groep mensen in Nederland in armoede opgroeit, is er ook een hele grote groep mensen die hier nooit mee te maken krijgt. Dit zorgt ervoor dat er hoogstwaarschijnlijk veel leerkrachten zijn die advies moeten geven over problemen waar ze zelf geen enkele ervaring mee hebben. Begrijpen wat in armoede opgroeien en leven inhoudt komt voor hen niet vanzelf. Dit vergt inlezen en inleving.

Maar hoe doe je dat? Allereerst ben je met het lezen van deze kennisbank al een aardig eind op weg. In de voorgaande hoofdstukken heb je gelezen wat de feiten en cijfers en gevolgen zijn, maar ook waar de knelpunten in het onderwijs zitten. Dit is een goed begin. Om je nog bewuster te laten worden van de gevolgen van armoede kan het lonen om een spel gericht op bewustwording te spelen. Zo heb je het budgetspel, een spel dat volledig online beschikbaar en gratis te downloaden is. In dit spel moet je door te budgetteren in verschillende scenario's zorgen dat je financieel uitkomt. Zo merk je zelf hoe lastig het is als je van een minimuminkomen (of minder) moet rondkomen. Ook RTL nieuws maakte op basis van persoonlijke ervaringen van mensen een game waarin duidelijk wordt hoe het kan dat mensen werken maar toch niet rondkomen. Een mooie Amerikaanse interactieve simulatie is Spent. Natuurlijk komen al deze simulaties nooit écht dicht bij de werkelijkheid, maar het kan geen kwaad om je aan de hand van deze spellen te verdiepen.

Probeer ten slotte voor jezelf ook eens te bedenken welke kwaliteiten er bij opgroeien en leven in armoede horen, zoals bijvoorbeeld vindingrijkheid, veerkracht en bescheidenheid. Het is een heus organisatorisch en planningsmeesterwerk als je als alleenstaande moeder van drie kinderen ervoor zorgt dat er elke avond eten op tafel staat, de clubjes betaald worden en de huur, elektriciteit en andere vaste lasten gedekt zijn. En ook kinderen van mensen in armoede worden vaak heel vindingrijk. Dit is belangrijk omdat er, zoals eerder in dit hoofdstuk besproken, vooroordelen heersen over mensen die in armoede opgroeien. Zorg dat je hier als leraar doorheen kunt kijken.

Signaleren

Zoals eerder besproken gaat armoede vaak gepaard met schaamte. Armoede signaleren is daarom niet altijd gemakkelijk. Ouders en kinderen kunnen veel moeite doen het te verbergen. Bepaalde kenmerken zul je waarschijnlijk direct linken aan armoede, zoals het dragen van afgedragen kleren of kleren die niet binnen het seizoen passen (hoewel het kan voorkomen dat een kind dat in armoede leeft ook opeens toch die nieuwste Nikes heeft - laat je daar niet voor misleiden), het niet deelnemen aan schoolactiviteiten (hoewel ook dit soms gepaard gaat met goede smoezen, zoals "mag niet van ons geloof" of "hij heeft heimwee") of het niet meenemen van eten naar school.

Maar er zijn ook kenmerken van armoede die gemakkelijk aangezien kunnen worden voor iets anders. Misschien kan een kind zich slecht concentreren of gedraagt het zich vaak lastig. Dit zou kunnen wijzen op ADHD, maar het is goed om je ervan bewust te zijn dat het ook kan komen door armoede, door toxic stress, of iets milder gesteld, kopzorgen. Kijk maar naar Anyssa uit de serie: het is lastig concentreren als je weet dat het thuis niet makkelijk is. Daarnaast kunnen ook ‘vage’ lichamelijke klachten wijzen op armoede, bijvoorbeeld het vaak hebben van hoofdpijn, bleek zien, duizelig zijn etc. Deze kenmerken kunnen overigens ook een signaal zijn voor verwaarlozing, iets dat net zo goed zonder armoede kan plaatsvinden, maar waarvan het belangrijk is dat onderwijzers er alert op zijn.

Een startgesprek aan het begin van het schooljaar met zowel ouder als kind kan nuttig zijn voor het vroegtijds signaleren van armoede. Zo'n gesprek is een laagdrempelige manier om eventuele armoedeproblematiek te onderzoeken, zonder dat het gesprek meteen een hele zware lading krijgt. Op pagina 60 van deze handreiking vind je een gespreksleidraad voor een startgesprek.

Bespreekbaar maken

Het bespreekbaar maken van armoede kan belangrijk zijn voor kinderen. Kijk maar naar Anyssa. De hele klas wist dat ze haar kleding bij de kledingbank haalde en hier werd ze in eerste instantie mee gepest. Juf Jolanda besloot toen het gesprek open te gooien en sindsdien ging het beter: de klas van Anyssa had maar al te goed begrepen dat “niet iedereen met een gouden paplepel in zijn of haar mond is geboren” en dat sommige kinderen daarom naar de voedsel- en of kledingbank moeten. Anyssa schaamde zich niet langer en kon trots zijn op spullen die ze via-via gekregen had, zoals een nieuwe tas die ze van juf Jolanda had gekregen.

Maar, het bespreken van armoede moet bij elk kind en bij elke ouder anders. Armoede is iets persoonlijks. Iedereen heeft andere ervaringen met armoede en de één ondervindt er meer last van dan de ander. Uit Brits onderzoek blijkt dat ouders - en aan te nemen is dat dat ook kan gelden voor kinderen - zich vaak blootgesteld voelen aan stigmatisering en vernedering. Hier moet je als onderwijskracht voor waken.

Maar hoe doe je dat, het gesprek aangaan met ouder en kind over hun vermoedelijke armoede? Je wilt het beestje bij de naam noemen, maar tegelijkertijd wil je niet stigmatiseren. In gesprekken over armoede is het goed om je eigen gevoel te tonen; erken dat het lastig is om over te praten, ook voor jou. Verder is het belangrijk om te benoemen wat je ziet zonder daarbij oordelend te zijn. Zorg dat je de feiten daarbij paraat hebt: “ik zie dat [naam] vaak zonder eten naar school komt” of “ik zie dat [naam] vaak zonder winterjas naar school komt”

Doorverwijzen naar de juiste organisaties

Nadat armoede gesignaleerd en bespreekbaar is gemaakt, is het van belang om de juiste organisaties erbij te betrekken. Zo kunnen ouders en kinderen passende hulp krijgen en jij hoeft naast docent geen hulpverlener te spelen. Jij kunt je dan op de hoofdtaak richten: lesgeven. Nu is het zo dat er in Nederland veel verschillende organisaties actief zijn op het gebied van armoedebestrijding. Dit is fijn, maar kan er ook voor zorgen dat je als onderwijzer door de bomen het bos niet meer ziet.

Een centraal loket waar je als onderwijskracht een aanvraag kunt indienen voor meerdere kindvoorzieningen is Sam&. Sam& is een samenwerkingsverband tussen Leergeld Nederland, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Nationaal Fonds Kinderhulp en Stichting Jarige Job. Het Nederlands Jeugd Instituut heeft een uitgebreide lijst met hulporganisaties op hun website, voor zowel de behoeftes van kinderen als die van hun ouders. Ook de Kinderombudsman besteedt hier op de website aandacht aan. Door een aanvraag te doen bij één of meerdere van deze stichtingen komen er allerlei mogelijkheden vrij voor kinderen die opgroeien in armoede. Zo kunnen ze opeens op een sportclub of muziekles, of kunnen ze net als andere kinderen hun verjaardag vieren met traktaties en een feestje.

Dan zijn er nog andere instanties waarnaar je ouders wilt doorverwijzen voor hulp, zoals bijvoorbeeld Jeugdzorg of Veilig Thuis. Dit is geen gemakkelijke taak. In de regionale Meetups van Klassen kwam veelvuldig naar voren dat leerkrachten vrezen dat de vertrouwensband met ouders of kinderen geschaad wordt als ze hen doorverwijzen naar jeugdhulporganisaties, vooral als de doorverwijzing vervolgens teleurstelt doordat de desbetreffende organisatie de hulp niet op korte termijn kan leveren. Die kans is aanwezig. Er is de afgelopen jaren sterk bezuinigd op het jeugdhulpsysteem, dat tegelijkertijd gedecentraliseerd werd. Hierdoor kampen gemeenten en jeugdhulporganisaties met tekorten en ontstaan er lange wachttijden. Om de juiste hulp te krijgen moeten ouders soms maandenlang wachten. Of ze komen terecht in een bureaucratisch moeras van instanties, ambtenaren en hulpverleners. Om te voorkomen dat de vertrouwensband geschaad wordt, is het zaak om hier open en eerlijk over te communiceren met ouders en aan te geven dat niet alles in jouw handen is (maar dat je wel je best doet). Stel concrete doelen in overleg met de ouders en de jeugdhulpverleners, en maak duidelijke afspraken over verantwoordelijkheid: wat ligt er bij jou, wat ligt er bij de ouders en wat ligt er bij de externe organisatie? iteraard is het hebben van een vertrouwensband met ouders in de eerste instantie al cruciaal, lees hier meer over in het hoofdstuk ouderbetrokkenheid.

Misschien gaat je hoofd tollen van het idee dat je dit er allemaal nog bij moet doen. Je hebt het als docent al druk genoeg. Het allerbelangrijkste is dan dat het doorverwijzen naar de juiste organisaties een taak van het schoolteam, en niet van jou alleen wordt. Het is belangrijk samen te kijken wie dit op kan (en wil) pakken.

Zou het bijvoorbeeld een idee zijn om een apart iemand aan te stellen die de brug vormt tussen school, ouder, kind en zorgorganisaties? Dit gebeurt al Nederland, en dan wel in de vorm van een brugfunctionaris. Een brugfunctionaris staat helemaal los van het onderwijs en richt zich alleen op wat het kind, naast goed onderwijs, extra nodig heeft.  Zo kunnen de docenten zich richten op het lesgeven en krijgen de kinderen de hulp en aandacht die ze verdienen. Een brugfunctionaris, of soortgelijke functie, kan ook extra aandacht besteden aan ouders en hen actief betrekken bij het leerproces van het kind. Daarnaast kan de brugfunctionaris de spil zijn in het contact tussen school en de wijk en zo de verschillende leefwerelden van kinderen bij elkaar brengen.

Inzetten op financiële educatie

Armoede is vaak een intergenerationeel probleem. Als je opgroeit in armoede is het moeilijk om er later in je leven uit te komen. Door financiële educatie op school aan te bieden, worden leerlingen bekender met de waarde van geld en leren ze hoe inkomsten in verhouding staan tot wat je allemaal moet betalen. Vijftig euro klinkt voor veel kinderen als een ongelofelijke hoeveelheid geld, maar het is in feite snel uitgegeven. Daarnaast kan financiële educatie een begintpunt zijn voor het bespreken van belangrijke maatschappelijke vraagstukken zoals kansengelijkheid, gelijkheid en burgerschap.

Op dit moment is er op het grootste deel van de scholen nog weinig financiële educatie en dat is zonde. Niet alleen kinderen die opgroeien in armoede hebben baat bij financiële educatie, er zijn genoeg kinderen uit welgestelde gezinnen die niks weten over sparen of budgetteren. Misschien zelfs wel meer, omdat zij zich er niet mee bezig hoeven houden. Er zijn diverse schoolprogramma’s gericht op financiële educatie zoals Spaarwijs en Eurowijs, maar je kan natuurlijk zelf ook opdrachten verzinnen die leerlingen meer financiële wijsheid bijbrengen (zoals het laten budgetteren van een evenement of een weekplanning maken om boodschappen te doen).

Aan de slag?

Schoolkosten in kaart brengen en beheersen

School brengt, zoals eerder besproken, veel kosten met zich mee. Al deze kosten kunnen stress veroorzaken bij ouders die het niet breed hebben. Dit kan resulteren in dat ouders hun kinderen niet op scholen plaatsen waar een hoge ouderbijdrage wordt gevraagd, hun kinderen minder snel aanmelden voor extra activiteiten of hun kinderen ziek melden bij schoolreisjes of op hun verjaardag.

Je kunt school niet kosteloos maken, maar in kaart brengen wat de kosten eigenlijk zijn voor ouders is wel een belangrijke eerste stap in het bedenken van een plan van aanpak voor deze schoolkosten. Denk daarbij goed door: neem niet alleen de directe schoolkosten mee, maar ook de meer verborgen kosten.

Het is de taak van de school om de schoolkosten beheersbaar te houden voor mensen die het minder breed hebben. Dit betekent dat er garantie moet zijn dat alle leerlingen altijd kunnen deelnemen, dat ouders op de hoogte zijn waar ze kunnen aankloppen als ze iets niet kunnen betalen en dat de ouderbijdrage passend moet zijn. In dat laatste kader zou je kunnen denken aan een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Zo betalen ouders naar draagkracht en kunnen er toch leuke activiteiten voor alle kinderen worden georganiseerd.

Voor de overige kosten en het toegankelijk houden van schoolactiviteiten voor alle kinderen is er het Jeugdeducatiefonds en Stichting Leergeld. De laatste is actief in zo’n 75% van alle Nederlandse gemeenten en daar kunnen ouders zelf een aanvraag doen voor hun kind, al dan niet geholpen door de school. Neem vooral een kijkje op de website en verwijs ouders, indien nodig, naar hen door. Bij het jeugdeducatiefonds doet de school een aanvraag voor extra middelen (en dat hoeft niet alleen te zijn om armoede te compenseren!).

Aan de slag?